<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2017:494</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T04:48:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-06-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-06-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">E.J. 680 van 2017</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_arbeidsrecht">Civiel recht; Arbeidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AR 2017/3484</rdf:li>
          <rdf:li>AR 2017/3485</rdf:li>
          <rdf:li>AR 2017/3367</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2017:494">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2017:494</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-06-29T13:26:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-06-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2017:494 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 20-06-2017 / E.J. 680 van 2017</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2017:494:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>arbeidsrecht, ontslag nietig, geen dringende reden</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2017:494:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Beschikking van 20 juni 2017</para>
    <para>Behorend bij E.J. 680 van 2017</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BESCHIKKING</para>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de naamloze vennootschap</para>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">TALK OF THE TOWN MANAGEMENT N.V.</emphasis>,</para>
      <para>te Aruba, </para>
      <para>hierna ook te noemen: TOTT,</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. I.R. Wever,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">[naam verweerster]</emphasis>, </para>
      <para>te Aruba, </para>
      <para>hierna ook te noemen: G*,</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. S.O.R.’G. Faarup.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>DE PROCEDURE</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- het verzoekschrift;</para>
    <para>- het verweerschrift;</para>
    <para>- de overgelegde aantekeningen ter zitting van TOTT;</para>
    <para>- de behandeling ter zitting van 24 mei 2017 en de daarvan gemaakte aantekeningen van de griffier.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan partijen is meegedeeld dat vandaag beschikking zou worden gegeven. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>DE VASTSTAANDE FEITEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>G* is op 16 januari 2007 in dienst getreden van TOTT als kok.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Zij is op 11 januari 2016 op staande voet ontslagen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>De schriftelijke kennisgeving van die datum van het ontslag luidt: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ms.  G*,  your  continued  unacceptable  conduct  adversely  impacts  the  operations  of  our  hotel. On  Monday  January  11,  2016,  [naam X]  sent  a  letter  to  me  explaining  your  rude  behavior  toward him  and  his  son,  enough  reason  for  him  and  his  family  not  to  consider  our  hotel  in  future  trips.  We  did not  only  lose  a  guest,  this  is  proving  that  we  cannot  trust  you,  your  behavior  and  lack  of  service. </emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">The  guest  explained  in  his  letter  that  the  first  incident  occurred  when  he  stopped  in  the  kitchen  and asked  for  assistance  from  you  to  cook  Oatmeal  for  his  son  who  was  sick.  You  did  refused  to  help  him and  also  demanded  to  leave  the  kitchen  in  a  rough  and  rude  way. The  second  time  occurred  when  his  son  was  at  the  restaurant  toasting  bread,  and  the  kid  added cheese  to  the  toast,  you  yelled  at  the  boy  and  rudely  told  the  kid,  in  front  of  everyone  who  was  having breakfast  at  that  time,  that  he  could  not  do  that.  Not  only  is  it  outrageous  that  you  mistreat  a  guest, but  a  kid  that  was  roughly  11  years  old.  This  is  unacceptable  and  goes  against  any  hotel  and  service norm,  and  we  will  not  accept  such  behavior. </emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">This  is  the  fifth  written  incident  against  hotel's  regulations  and  policies.  You  were  given  a  final  warning on  October  23th,  2015,  and  you  were  told  that  any  other  serious  incident  would  be  considered  cause for  dismissal.  Attached  find  the  letter  that  [naam X]  sent  to  the  hotel,  were  he  complained  about your  behavior. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">As  a  result  of  these  several  violations  of  company  procedures  and  your  poor  job  performance,  you have  convincingly  demonstrated  to  the  company  that  you  cannot  be  trusted  as  an  employee.  That you  are  not  suited  to  work  with  or  for  guests;  therefore  the  company  has  decided  to  terminate  your employment  with  immediate  effect</emphasis>.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>G* heeft op 18 januari 2016 de nietigheid van het ontslag ingeroepen. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Op 29 maart 2017 heeft TOTT (voorwaardelijk) verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Het verzoek tot nietigverklaring van het ontslag c.a. is gelijktijdig behandeld met het onderhavige verzoek. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>HET VERZOEK EN HET VERWEER</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>TOTT verzoekt het gerecht om de arbeidsovereenkomst met G* met onmiddellijke ingang te ontbinden op grond van gewichtige redenen, zonder toekenning van een vergoeding, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van G* tot vergoeding van de proceskosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>TOTT grondt het verzoek, samengevat, op de dringende reden zoals die wordt uiteengezet in de schriftelijke kennisgeving van het ontslag. Subsidiair leveren die gewijzigde omstandigheden op die meebrengen dat aan de arbeidsovereenkomst een einde moet komen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>G* voert gemotiveerd verweer dat voor zover voor de beslissing van belang hieronder zal worden besproken en vordert veroordeling van TOTT tot vergoeding van de proceskosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>DE BEOORDELING</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Voorop staat dat het verzoek praktisch geheel is gebaseerd op twee incidenten. Dat G* daarvoor 3, 4 of 5 (partijen verschillen daarover van mening) waarschuwingen heeft gehad is naar oordeel van het gerecht niet in doorslaggevende mate relevant voor de vraag of sprake is van een dringende reden om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.  Die waarschuwingen hadden betrekking op de uitoefening van de functie waarin G* volgens TOTT te kort zou hebben geschoten, zoals het niet dragen van een haarnet en dichte schoenen, het bereiden van geklutste eieren met melkproducten, het serveren van onvoldoende vers fruit en het niet ervoor zorgen dat het buffet goed gevuld is. Dat zijn klachten, wat er verder ook van zij, die van een heel andere orde zijn dan de incidenten waarop TOTT primair het verzoek baseert.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Volgens TOTT is er een dringende reden de arbeidsovereenkomst met G* op korte termijn en zonder toekenning van een billijke vergoeding te ontbinden omdat zij geweigerd heeft een gast te helpen met het opwarmen van een kom muesli (oatmeal) en die gast “rough and rude” de keuken heeft uitgewezen. Waaruit het gedrag van G* precies heeft bestaan kon TOTT echter ook ter zitting niet uitleggen. Het gerecht, en ook G*, kan zich daarover dan ook geen oordeel vormen. De omstandigheid dat de gast het gedrag van G* kennelijk als (hoogst) onbeleefd heeft ervaren is niet doorslaggevend, ook niet in het licht van het feit dat de gast heeft aangegeven dat hij in de toekomst niet meer in het door TOTT geëxploiteerde hotel wil logeren. Dat het gasten verboden is de keuken te betreden en dat TOTT geen voedsel bereidt dat gasten zelf meebrengen is door TOTT niet weersproken. Dat G* deze dienstverlening heeft geweigerd en de gast heeft gezegd dat hij de keuken moest verlaten is dus niet onjuist. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Het tweede incident heeft betrekking op het zoontje van de gast. Hij wilde een boterham met kaas toasten. G* zou toen, in bijzijn van andere gasten, tegen het zoontje hebben geschreeuwd en hem op schofferende wijze hebben gezegd dat hij dat niet mocht doen. Dat het niet toegestaan is brood met kaas en al in de broodtoaster te stoppen is niet weersproken. G* was dus gerechtigd om in te grijpen. Ook hier is niet voldoende duidelijk wat G* dan precies tegen het zoontje van de gast heeft gezegd en op welke wijze. Als G* op enig moment haar stem heeft verheven vormt dat niet voldoende dringende reden de arbeidsovereenkomst onmiddellijk of op korte termijn te beëindigen zolang niet duidelijk is waaruit die stemverheffing heeft bestaan en hoe lang dat heeft geduurd. Dat G* zich genoodzaakt zag om in te grijpen toen zij merkte dat het zoontje van de gast brood met kaas ging toasten en zich in het vuur van het moment mogelijk wat minder ingetogen heeft geuit is niet onbegrijpelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>TOTT legt aan het ontbindingsverzoek, met name voor zover het de gewijzigde omstandigheden betreft, nog ten grondslag dat G* meermaals terecht is gewezen. In juli 2015 werd G* erop gewezen dat zij geen dichte schoenen en een haarnet droeg. In augustus van dat jaar bleek G* ten onrechte geklutste eieren met melk of room aan te lengen. In september 2015 had G* onvoldoende oog voor de versheid van fruit (ananas). En in oktober 2015 was er onvoldoende aanbod voor het ontbijtbuffet. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>Naar oordeel van het gerecht vormen deze klachten – ook als ze terecht zijn, G* bestrijdt dat – ook samen met het hierboven besproken feit dat een gast van TOTT zo ontevreden was dat hij niet meer in het hotel wil terugkeren, geen grond de arbeidsovereenkomst wegens dringende reden onmiddellijk of op korte termijn te beëindigen. Niet weersproken is dat G*, waar nodig, haar gedrag heeft aangepast. Er is dan ook geen sprake van herhaaldelijk overtreden van regels of negeren van instructies. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>Bovenstaande laat onverlet dat G* inmiddels een nieuwe baan heeft die mogelijk een vaste baan kan worden. Verder is er sinds 11 januari 2016 lange tijd verstreken. Ter zitting heeft TOTT aangeven dat zij haar onderneming inmiddels heeft ingericht op de afwezigheid van G*. Ten slotte heeft het gerecht de stellig indruk dat een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk is. De arbeidsovereenkomst kan dus beter worden ontbonden. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>Niet kan worden geoordeeld dat de hierboven genoemde gewijzigde omstandigheden aan G* moeten worden toegerekend. Het gerecht ziet, op grond van alle omstandigheden, aanleiding om aan G* een billijke vergoeding ter hoogte van Afl. 20.000, (netto!) toe te kennen die door TOTT dient te worden gebruteerd. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>Nu partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld zal het gerecht de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>DE UITSPRAAK:</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechter in dit gerecht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>stelt partijen in kennis van het voornemen om de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden, onder toekenning aan G* van een vergoeding ten laste van TOTT van Afl. 20.000, (netto) waarop de cessantia- uitkering (netto) in mindering wordt gebracht;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>stelt TOTT in de gelegenheid het verzoek in te trekken middels een uiterlijk binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking ter griffie van dit gerecht af te leggen schriftelijke verklaring;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt TOTT in dat geval in de kosten van deze procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van G* worden begroot op Afl. 2.500, aan gemachtigdensalaris;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERDER, VOORZOVER VERZOEKSTER HET VERZOEK NIET INTREKT:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van vandaag;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>kent aan G* een vergoeding toe ten laste van TOTT van Afl. 20.000, (netto), waarop in mindering strekt de aan G* uit te keren cessantia-uitkering (netto);</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>compenseert de proceskosten en wel zo dat iedere partij de eigen kosten draagt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. Noordhuizen, rechter in dit gerecht en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 20 juni 2017 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>