<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2016:416</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-06-22T15:35:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-06-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">LAR nr. 2317 van 2015</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2016:416">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2016:416</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-06-22T15:34:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2016:416 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 13-06-2016 / LAR nr. 2317 van 2015</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2016:416:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>verweerder heeft onvoldoende onderzoek gedaan </para>
        <para>Aan de bestreden beschikking is ten grondslag gelegd dat appellant niet middels de juiste documenten heeft aangetoond dat hij geen criminele of justitieel negatieve antecedenten heeft.</para>
        <para>Niet betwist is dat appellant ter ondersteuning van zijn aanvraag tot vier maal toe een verklaring omtrent het gedrag heeft overgelegd.</para>
        <para>De bezwaaradviescommissie heeft in haar advies ten aanzien van de overgelegde verklaring gesteld dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar deze verklaring en op grond daarvan geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren. Verweerder heeft dit advies naast zich neergelegd en de bestreden beschikking genomen zonder nader onderzoek te doen.</para>
        <para>De stelling van verweerder dat dit onderzoek achterwege gelaten kon worden omdat appellant inmiddels weer een andere verklaring had overgelegd volgt het gerecht niet. Het beroep is derhalve gegrond.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2016:416:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Uitspraak van 13 juni 2016</para>
    <para>LAR nr. 2317 van 2015</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>UITSPRAAK</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in de zin van de </para>
      <para>Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">[APPELLANT]</emphasis>
        <emphasis role="underline">, </emphasis>
      </para>
      <para>wonend in Venezuela</para>
      <para>APPELLANT,</para>
      <para>gemachtigden: de advocaten mrs. A.A. Ruiz en A.M.N. Thijsen, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>gericht tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie</emphasis>,</para>
      <para>zetelende in Aruba,</para>
      <para>VERWEERDER,</para>
      <para>gemachtigden: mr. M.D. van Wilgen en J. Harewood (DIMAS).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>PROCESVERLOOP</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Appellant heeft op 29 november 2013 bij verweerder bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlenging van zijn vergunning tot tijdelijk verblijf.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Op 6 februari 2015 heeft de bezwaaradviescommissie Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de bezwaaradviescommissie) verweerder geadviseerd het bezwaar van appellant gegrond te verklaren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Bij beschikking van 28 augustus 2015 heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Tegen deze beschikking heeft appellant op 6 oktober 2015 beroep ingesteld bij het gerecht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift met producties ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>Het beroep is behandeld ter terechtzitting van 29 februari 2016 en 21 maart 2016, alwaar appellant en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7</nr>
      <para>Partijen hebben op 18 april 2016 nadere stukken overgelegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8</nr>
      <para>De behandeling van het beroep is voortgezet op 9 mei 2016, alwaar appellant en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.9</nr>
      <para>Hierna is uitspraak bepaald op heden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>OVERWEGINGEN</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: de Ltu) wordt een vergunning tot tijdelijk verblijf verleend door of namens de minister, belast met vreemdelingenzaken, en heeft een duur van ten hoogste een jaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ltu kan een verzoek om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf door of namens de minister, belast met vreemdelingenzaken, worden geweigerd, in verband met de openbare orde of het algemeen belang. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Ingevolge artikel 14 van het van het Toelatingsbesluit 2009 wordt bij regeling van de Minister geregeld, welke bescheiden een toelatingsplichtige bij het indienen van een eerste en volgende verzoek om verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 7 van de Ltu dient over te leggen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <parablock>
        <para>Paragraaf 2.8 van het Herziene Toelatingsbeleid Vreemdelingen (hierna: Toelatingsbeleid) luidt, voor zover van belang:</para>
        <para>Toelating geschiedt onder de specifieke voorwaarde dat de resultaten van een onderzoek naar politiële, justitiële en criminele antecedenten in orde zijn voor de afgelopen vijf jaren. Dit houdt in dat de betreffende persoon geen criminele of justitieel negatieve antecedenten heeft. Indien de resultaten van het onderzoek negatief voor de vreemdeling zijn, zal zijn toelating tot Aruba worden geweigerd of indien reeds een verblijfstitel is verleend, kan deze worden ingetrokken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Ingevolge paragraaf 2.9 van het Toelatingsbeleid dienen alle officiële documenten gelegaliseerd of gewaarmerkt (apostille) te zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Aan de bestreden beschikking is, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat appellant niet middels de juiste documenten heeft aangetoond dat hij geen criminele of justitieel negatieve antecedenten heeft.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <parablock>
        <para>Niet betwist is dat appellant ter ondersteuning van zijn aanvraag tot vier maal toe een verklaring omtrent het gedrag heeft overgelegd respectievelijk gedateerd</para>
        <para>8 maart 2012, 9 juli 2013, 10 oktober 2013 en 13 januari 2014.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>Ten aanzien van de eerste twee verklaringen heeft de Consul van Venezuela bericht dat er gebreken kleven aan de bij deze verklaringen behorende apostilles.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>De bezwaaradviescommissie heeft in haar advies ten aanzien van de overgelegde verklaring van 10 oktober 2013 gesteld dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar deze verklaring en op grond daarvan geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren. Verweerder heeft dit advies naast zich neergelegd en de bestreden beschikking genomen zonder nader onderzoek te doen naar de verklaring van10 oktober 2013.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10</nr>
      <para>De stelling van verweerder dat dit onderzoek achterwege gelaten kon worden omdat appellant inmiddels weer een andere verklaring had overgelegd volgt het gerecht niet. Ook de enkele omstandigheid dat appellant de verklaring niet in persoon zou hebben aangevraagd vormt zonder nadere motivering, onvoldoende reden deze verklaring buiten beschouwing te laten. Het beroep is derhalve gegrond.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11</nr>
      <parablock>
        <para>Het gerecht ziet in het verhandelde ter terechtzitting evenmin aanleiding de rechtsgevolgen van de bestreden beschikking in stand te laten.</para>
        <para>Verweerder heeft bij schrijven van 14 april 2016 medegedeeld dat uit een na de bestreden beschikking alsnog ingesteld onderzoek naar voren komt dat de autoriteiten van Venezuela hebben aangegeven dat de verklaring van 10 oktober 2013 en de bijbehorende apostille correct zijn. De stelling van verweerder dat desondanks aan deze verklaring voorbij moet worden gegaan omdat die is afgegeven voor de immigratie- en vreemdelingendienst in Nederland en niet die van Aruba acht het gerecht zonder nadere motivering niet houdbaar. Het gerecht neemt daarbij in aanmerking dat nu Aruba en Nederland beide deel uitmaken van het Koninkrijk der Nederlanden van verweerder verwacht kan worden dat nader wordt onderbouwd waarom hiermee geen genoegen wordt genomen. De eerst ter zitting van 9 mei 2016 opgeworpen stelling dat er andere gebreken kleven aan de verklaring van</para>
        <para>10 oktober 2013 wordt als tardief en onvoldoende onderbouwd terzijde gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12</nr>
      <para>Gelet op het vorenstaande dient het beroep van appellant gegrond te worden verklaard en de bestreden beschikking te worden vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het gerecht zal verweerder opdragen binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13</nr>
      <para>Nu het beroep gegrond is, bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de door appellant gemaakte kosten van deze procedure, welke worden begroot op een bedrag van Afl. 1.000,-- aan gemachtigdensalaris.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>DE BESLISSING</title>
    <para>De rechter in dit gerecht:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de bestreden beslissing van 28 augustus 2015;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>draagt verweerder op om binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak opnieuw op het bezwaarschrift van appellant te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt verweerder tot betaling aan appellant het bedrag van Afl. 1.000,- als bijdrage in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>gelast dat het door appellant gestorte griffierecht van Afl. 25,-- aan hem wordt terugbetaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gegeven door mr. M.T. Paulides, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>