<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2016:151</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-03-17T09:17:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-03-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">A.R. no. 2145 van 2013</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2016:151">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2016:151</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-03-17T09:16:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2016:151 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 09-03-2016 / A.R. no. 2145 van 2013</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2016:151:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Civiele handelszaak; verzekeringskwestie; geslaagd beroep van de verzekeraar op eigen gebrek van het verzekerde object in de zin van artikel 318 van het Wetboek van Koophandel van Aruba, welk artikel bepaalt dat de verzekeraar in dat geval slechts tot dekking is gehouden indien de verzekerde ook daarvoor uitdrukkelijk is verzekerd. Als gevolg van een boven een plafond van een appartementencomplex gelegen openstaande gaskraan heeft zich een explosie voorgedaan, waardoor onder meer de verzekerde en zijn hypotheekhouder schade hebben geleden. Het Gerecht oordeelt dat artikel 7 van het Veiligheidsbesluit gasreservoirs en gasinstallaties van Aruba van toepassing op de onderhavige casus, en komt tot het verdere oordeel dat een gaskraan boven een plafond als zijnde een verbinding in een gasleiding krachtens dat artikel niet is geoorloofd, en dat daarom sprake is van een eigen gebrek van het verzekerde object in de zin van voormeld artikel 318 (waarvoor de verzekerde in casu niet uitdrukkelijk was verzekerd).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2016:151:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Vonnis van 9 maart 2016</para>
    <para>Behorend bij A.R. no. 2145 van 2013</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>VONNIS </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de hoofdzaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>[naam],</title>
    <parablock>
      <para>	wonende in de Verenigde Staten van Amerika,</para>
      <para>te dezen gedomicilieerd ten kantore van zijn hierna genoemde in Aruba gevestigde gemachtigde,</para>
      <para>hierna ook te noemen: E*,</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. W.G.T.M. Kloes,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. de naamloze vennootschap</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">AVUR INVESTMENTS N.V., </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">h.o.d.n. CAROLINA APARTMENTS,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd in Aruba, </para>
      <para>hierna ook te noemen: Avur,</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. M.G.A. Baiz,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>eisers,</para>
      <para>hierna gezamenlijk ook te noemen: E* c.s.,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de naamloze vennootschap</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">FATUM GENERAL INSURANCES ARUBA N.V.</emphasis>
      </para>
      <para>(voorheen ROYAL &amp; SUN ALLIANCE INSURANCE (ANTILLES) N.V.),</para>
      <para>gevestigd in Aruba,</para>
      <para>gedaagde, </para>
      <para>hierna ook (en nog steeds) te noemen: RSA,</para>
      <para>gemachtigden: de advocaten mrs. D.W. Ormel en M.R. Hammoud,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>en de vrijwaringzaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de naamloze vennootschap</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">FATUM GENERAL INSURANCES ARUBA N.V.</emphasis>
      </para>
      <para>(voorheen ROYAL &amp; SUN ALLIANCE INSURANCE (ANTILLES) N.V.),</para>
      <para>gevestigd in Aruba,</para>
      <para>eiseres, </para>
      <para>hierna ook (en nog steeds) te noemen: RSA,</para>
      <para>gemachtigden: de advocaten mrs. D.W. Ormel en M.R. Hammoud,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	de naamloze vennootschap</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">AVUR INVESTMENTS N.V., </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">h.o.d.n. CAROLINA APARTMENTS,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd in Aruba,</para>
      <para>gedaagde, </para>
      <para>hierna ook te noemen: Avur,</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. M.G.A. Baiz.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">1. DE PROCEDURE</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure tot 11 februari 2015 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>-de akte van E* en die van Avur;</para>
        <para>-de antwoordakte van RSA.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Vonnis is nader bepaald op heden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>DE VERDERE BEOORDELING</title>
    <bridgehead role="italic">in de  hoofdzaak</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het Gerecht blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenvonnissen, met dien verstande dat de in het laatste tussenvonnis in rechtsoverweging 4.8 neergelegde voorshandse oordeel en de in rechtsoverweging 4.6 vermelde door het Gerecht onderstreepte stelling van RSA hierna (verder) worden besproken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Uit het laatste tussenvonnis volgt impliciet dat het Gerecht van oordeel is dat artikel 7 van het Veiligheidsbesluit gasreservoirs en gasinstallaties (hierna wederom: het Veiligheidsbesluit) van toepassing is op de onderhavige casus. Expliciet wordt dienaangaande overwogen dat het Gerecht van oordeel is dat het litigieuze appartementencomplex of gebouw (een fysiek deel van) een onderneming betreft in de zin van de Veiligheidsverordening (die mede ziet op het voorkomen van brand - lees tevens explosies - en ongevallen bij brand - lees wederom tevens explosies), aan welke landsverordening voormeld artikel van het Veiligheidsbesluit uitvoering geeft. Het appartementencomplex betreft immers een door een onderneming (Avur) geëxploiteerd (aan die onderneming in eigendom toebehorend) appartementencomplex. In dat verband valt zonder nadere uitleg, die ontbreekt, niet in te zien waarom geen sprake is van een onderneming in de zin van de Veiligheidsverordening. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>In het midden kan blijven welk belang precies wordt beschermd door de Veiligheidsverordening en/of het Veiligheidsbesluit, omdat te dezen de in artikel 6:163 BW neergelegde relativiteitsnorm niet van toepassing is. Die norm of dat artikel ziet op de vraag of sprake is van een verplichting tot schadevergoeding in geval van onrechtmatige daad, en niet op de vaststelling van een eigen gebrek van een verzekerd object in de zin van het bepaalde in artikel 318 WvK. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Het Gerecht ziet geen grond om terug te komen van zijn oordeel dat uit artikel 7 van het Veiligheidsbesluit in het algemeen voortvloeit dat zich boven een plafond (en een daarboven - op een kleine halve meter afstand - gelegen verdiepingsvloer zoals in het onderhavige geval geen verbinding mag bevinden. De strekking en geest van (de tekst van) dat artikel laat geen andere uitleg en daarom geen ander oordeel toe. De op dit onderdeel andersluidende standpunten van E* c.s. worden verworpen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>In het licht van al het vorenstaande ziet het Gerecht in de door E* en door Avur in hun laatst genomen aktes neergelegde stellingen geen aanleiding of grond om terug te komen van zijn in het laatste tussenvonnis onder 4.8 neergelegde voorlopig oordeel dat (1) de litigieuze  gaskraan - en dat hebben partijen allen erkend - heeft te gelden als een verbinding in een gasleiding, (2) die kraan zich daarom ingevolge het hiervoor vermelde artikel van het Veiligheidsbesluit niet mocht bevinden waar hij zich bevond (boven het plafond van het gebouw dus), en (3) dat die (openstaande en de explosieveroorzakende) gaskraan daarom heeft te gelden als een eigen gebrek van het gebouw in de zin van artikel 318 WvK. Dat oordeel komt daarom vast te staan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Vorenstaande brengt met zich dat alle vorderingen van E* en van Avur zullen worden afgewezen. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die een andersluidend oordeel kunnen dragen.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.7.1</nr>
        <para>E* zal, als de in het ongelijk gestelde partij - worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van RSA, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 12.250,-- aan salaris voor de gemachtigde (2½ punt van liquidatietarief 10, Afl. 4.900,-- per punt), als zijnde onbestreden te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf de achtste dag na de betekening van dit vonnis aan E*.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.7.2</nr>
        <para>Avur zal, als de in het ongelijk gestelde partij - worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van RSA, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 15.250,-- aan salaris voor de gemachtigde (2½ punt van liquidatietarief 11, Afl. 6.100,-- per punt), als zijnde onbestreden te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf de achtste dag na de betekening van dit vonnis aan Avur.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.7.3</nr>
        <para>De omstandigheid dat E* en Avur ieder voor zich hebben geprocedeerd en ieder voor zich een andersluidende rechtsvordering hebben ingesteld brengt mee dat van een hoofdelijke proceskostenveroordeling geen sprake kan zijn.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">in de vrijwaringszaak</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>Voormelde uitkomst in de hoofdzaak brengt met zich dat het door RSA in vrijwaring gevorderde zal worden afgewezen, en dat RSA zal worden veroordeeld in de kosten van die procedure gevallen aan de zijde van Avur. Die kosten worden tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.800,-- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten van liquidatietarief 5, ad Afl. 900,-- per punt).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">in het vrijwaringsincident</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>Voormelde uitkomst in de vrijwaringszaak brengt mee dat RSA het vrijwaringsincident nodeloos heeft opgeworpen. RSA zal daarom worden veroordeeld in de kosten van dat incident gevallen aan de zijde van Avur en aan de zijde van E*, tot aan deze uitspraak wat betreft Krintiz begroot op nihil en wat betreft Avur begroot op Afl. 900,-- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt van liquidatietarief 5, ad Afl. 900,-- per punt).</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>DE BESLISSING</title>
    <para>Het Gerecht:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">in de hoofdzaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-wijst af het door E* en door Avur gevorderde;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-veroordeelt E* (ter zake van zijn respectieve rechtsvordering) in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van RSA, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 12.250,-- aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf de achtste dag na de betekening van dit vonnis aan E*;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-veroordeelt Avur (ter zake van haar respectieve rechtsvordering) in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van RSA, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 15.250,-- aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf de achtste dag na de betekening van dit vonnis aan Avur;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">in de vrijwaringszaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-wijst af het door RSA gevorderde;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-veroordeelt RSA in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van Avur, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.800,-- aan salaris voor de gemachtigde;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">in het vrijwaringsincident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-veroordeelt E* en RSA in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van Avur, tot aan deze uitspraak wat betreft E* begroot op nihil en wat betreft Avur begroot op Afl. 900,-- aan salaris voor de gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 9 maart 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>