<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2016:109</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-02-19T15:36:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-02-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-02-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">LAR nr. 187 van 2016</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2016:109">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2016:109</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-02-19T15:36:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-02-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2016:109 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 15-02-2016 / LAR nr. 187 van 2016</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2016:109:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Voorlopige voorziening ex art. 54 van de (AUA) Lar tegen een bevelschrift tot verwijdering.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2016:109:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Uitspraak van 15 februari 2016</para>
    <para>LAR nr. 187 van 2016</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>UITSPRAAK </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het verzoek in de zin van artikel 54 van de </para>
      <para>Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">[ Verzoeker ]</emphasis>,</para>
      <para>van Haïtiaanse nationaliteit,</para>
      <para>wonende in Aruba,</para>
      <para>VERZOEKER,</para>
      <para>gemachtigde: mr. R.E.B. Gibbs,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>gericht tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">de minister van Justitie</emphasis>,</para>
      <para>zetelende in Aruba,</para>
      <para>VERWEERDER, </para>
      <para>vertegenwoordigd door A. Lumenier (DWJZ) en mr. N.R. Sneek (DIMAS).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>PROCESVERLOOP</title>
    <para>Bij bevelschrift van 11 januari 2016 heeft verweerder de verwijdering van verzoeker bevolen. Daarbij is tevens bepaald dat verzoeker gedurende een periode van 24 maanden de toelating tot Aruba zal worden geweigerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze beschikking heeft verzoeker op 28 januari 2016 bij verweerder bezwaar gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op dezelfde datum heeft verzoeker zich tot het gerecht gewend met het verzoek de bestreden beschikking te schorsen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek is behandeld ter zitting van 15 februari 2016, waarbij verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. Uitspraak is terstond gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>OVERWEGINGEN</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Voor zover de toetsing aan het in artikel 54, eerste lid, van de Lar neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van het gerecht een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering (hierna: Ltuv) kan de minister van Justitie uit Aruba verwijderen:</para>
      <para>a. personen die in strijd met de wettelijke bepalingen nopens toelating en uitzetting het land zijn binnen gekomen;</para>
      <para>b. personen die tot tijdelijk verblijf werden toegelaten, wanneer zij in het land worden aangetroffen, nadat de geldigheidsduur van hun tijdelijke verblijfsvergunning is verstreken of nadat de geldigheid van de vergunning door enige andere oorzaak is vervallen.</para>
      <parablock>
        <para>Ingevolge het derde lid – voor zover hier belang – geschiedt de verwijdering krachtens een met redenen omkleed bevelschrift, hetwelk aan betrokkene in persoon wordt uitgereikt.</para>
        <para>Ingevolge het vierde lid bevat het bevelschrift de periode gedurende welke aan de betrokkene de toelating tot Aruba zal worden geweigerd; deze periode bedraagt ten hoogste vijf jaar.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Vaststaat dat verzoeker vanaf 3 augustus 2012 tot 3 augustus 2014 hier te lande was toegelaten krachtens een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel gezinshereniging. Sedertdien verblijft verzoeker zonder verblijfstitel in Aruba. Gelet hierop doet zich de in artikel 19, eerste lid, onder b, van de Ltuv genoemde grond voor verwijdering voor. Verweerder was derhalve bevoegd een daartoe strekkend bevelschrift te geven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Bij de beantwoording van de vraag of verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken is mede van belang of legalisering van de illegale verblijfstoestand van betrokkene in het vooruitzicht ligt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Verzoeker heeft onder meer een afschrift overgelegd van een brief van 11 september 2015 en 15 januari 2016 van een werkgever, behelzende het verzoek om toestemming aan de minister van Sociale Zaken, Jeugd en Arbeid om verzoeker in dienst te mogen nemen. Op de brief van 11 september 2015 is door evengenoemde minister alsmede door de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie  op 13 januari 2016 het volgende aangetekend: <emphasis role="italic">“Dezerzijds akkoord (verlenging) &lt;SVT klant&gt; bijz. geval”.</emphasis> De minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie heeft daarbij nog vermeld: <emphasis role="italic">“DIR DIMAS akkoord cfm. Gaarne uw medewerking.”</emphasis></para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.4.1</nr>
        <para>Deze aantekening kan bezwaarlijk anders worden gezien dan als inhoudende de instemming van het daartoe op grond van de Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering bevoegde bestuursorgaan (de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie) met het verblijf van verzoeker hier te lande met het oog op het verrichten van arbeid. Hoewel deze blijk van instemming dateert van na het nemen van de bestreden beschikking, zal verweerder deze bij de heroverweging van die beslissing naar aanleiding van het door verzoeker daartegen ingediende bezwaarschrift dienen te betrekken. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.4.2</nr>
        <para>Naar het oordeel van het gerecht kan, gelet op het vorenstaande thans niet met vrucht worden staande gehouden dat er geen zicht is op legalisering van het verblijf van verzoeker hier te lande. De omstandigheid dat nog niet is gebleken dat verzoeker daartoe al een aanvraag om vergunning tot verblijf heeft ingediend, doet daaraan niet af. Evenmin de stelling van verweerder dat de toelating van verzoeker in strijd zou zijn met de daarvoor geldende (beleids)regels. Uit de hiervoor weergegeven aantekening op de brief van 11 september 2015 blijkt immers dat de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie zich daar van bewust is geweest, doch in de bijzondere omstandigheden van het geval (waaronder kennelijk de omstandigheid dat verzoeker in 2014 en 2015 met succes het Sociale Vormingstraject heeft afgerond) aanleiding heeft gezien van die regels af te wijken. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.4.3</nr>
        <para>De conclusie op grond van het vorenstaande is dat verweerder het bevelschrift tot verwijdering thans in redelijkheid niet langer kan handhaven. Het bevelschrift dient daarom, ter voorkoming van onevenredig nadeel aan de zijde van verzoeker, te worden geschorst.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <parablock>
        <para>Ten overvloede overweegt het gerecht nog het volgende. </para>
        <para>Bij afzonderlijk bevelschrift van 11 januari 2016 is verzoeker ter fine van zijn verwijdering tevens in bewaring gesteld. Hoewel dit bevelschrift geen onderwerp is van de onderhavige procedure, hecht het gerecht eraan verweerder erop te wijzen dat schorsing van het bevel tot verwijdering meebrengt dat er thans geen rechtsgrond meer bestaat om verzoeker nog langer in bewaring te houden. Het doel van die bewaring, te weten de verwijdering, is door de schorsing immers komen te vervallen. Het gerecht gaat ervan uit dat verweerder verzoeker onmiddellijk in vrijheid stelt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Voor een proceskostenveroordeling bestaat in een voorlopigevoorzieningprocedure geen wettelijke grondslag.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>BESLISSING</title>
    <para>De rechter in dit gerecht:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para> schorst het bevelschrift tot verwijdering van verzoeker van 11 januari 2016;</para>
      <para> gelast de teruggave aan verzoeker van het gestorte griffiegeld van Afl. 25,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 februari 2016 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>