<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2015:454</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T17:20:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-11-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-10-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">E.J. 1049 van 2015</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AR 2015/2086</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2015:454">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2015:454</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-02T14:11:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-11-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2015:454 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 27-10-2015 / E.J. 1049 van 2015</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2015:454:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>arbeid</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2015:454:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Beschikking van 27 oktober  2015</para>
    <para>Behorend bij E.J. 1049 van 2015</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BESCHIKKING</para>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">[verzoeker]</emphasis>,</para>
      <para>wonende te Aruba, </para>
      <para>verzoeker, hierna ook te noemen: [verzoeker],</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. A.F.J. Caster,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">[verweerder] </emphasis>
      </para>
      <para>wonende te Aruba, </para>
      <para>verweerder, hierna ook te noemen: [verweerder],</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>DE PROCEDURE</title>
    <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    <para>- het verzoekschrift;</para>
    <para>- het verweerschrift </para>
    <para>- de behandeling ter zitting van  15 september 2015  en de daarvan gemaakte aantekeningen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan partijen is meegedeeld dat vandaag beschikking zou worden gegeven. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>DE VASTSTAANDE FEITEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>In de periode 27 december 2013 tot 6 maart 2014 heeft [verzoeker] werkzaamheden verricht voor [verweerder] als ‘cashier/waiter’ tegen een netto uurloon van AWG 8,00.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2  [</nr>
      <para>verzoeker] hield de door hem gewerkte uren zelf bij en ontving op basis hiervan loon.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Op 3 juli 2014 heeft [verzoeker] zich tot de Directie Arbeid en Onderzoek gewend met het verzoek te bemiddelen in een arbeidsgeschil met [verweerder]. Uit het rapport, opgesteld door K. Luidens, consulent arbeidsgeschillen, blijkt dat het loon van [verzoeker] in strijd is met de Landsverordening Minimumloon. De bemiddeling mislukt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Bij brief van 24 november 2014 deelt [verzoeker] [verweerder] mee dat hij te weinig loon heeft ontvangen omdat het minimum uurloon AWG 9,00 is. [verzoeker] maakt aanspraak op een bedrag ad AWG 552,50. Tevens maakt [verzoeker] aanspraak op betaling van een bedrag ad AWG 1.500,00, te betalen in twee termijnen, welk bedrag door [verweerder] zou zijn toegezegd. [verzoeker] sommeert [verweerder] een bedrag ad AWG 2052,50 vermeerderd met 15% incassokosten binnen 10 dagen te betalen, bij gebreke waarvan rechtsmaatregelen worden getroffen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1 [</nr>
      <para>verzoeker] verzoekt bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, hem toe te staan kosteloos te mogen procederen en  [verweerder] te veroordelen tot betaling van een bedrag <?linebreak?>AWG 2.016,00 vermeerderd met AWG 302,40 aan incassokosten en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 november 2015 tot de dag der voldoening en met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Aan deze verzoeken legt [verzoeker] het hiervoor vermelde feitencomplex ten grondslag. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3 [</nr>
      <para>verweerder] voert hiertegen verweer dat bij de beoordeling aan de orde komt. .</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>DE BEOORDELING </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Op de eerste plaats is aan de orde de vraag of [verzoeker] op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden heeft verricht voor [verweerder], dan wel op basis van  een stage/oproepovereenkomst. Hiertoe wordt als volgt overwogen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Uit het niet weersproken urenoverzicht (productie 4 van [verzoeker]) volgt dat [verzoeker]  in de periode van 31 december 2013 tot en met 5 maart 2014 gedurende zes dagen per week werkzaamheden heeft verricht bij [verweerder]. Uit dit overzicht volgt dat [verzoeker] in de regel begon rond 15.00 uur en doorwerkte tot ongeveer 22.30 uur. [verzoeker] verrichte dit <emphasis role="italic">werk persoonlijk</emphasis>, <emphasis role="italic">op aanwijzingen van [verweerder]</emphasis> en <emphasis role="italic">tegen betaling van loon</emphasis>. Aldus is voldaan aan de drie criteria  als bedoeld in artikel 7A:1613a BWA, zodat vast staat dat [verzoeker] werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. De stelling van [verweerder] dat het een stage/oproepovereenkomst betrof, wordt als onvoldoende feitelijk onderbouwd verworpen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3 [</nr>
      <para>verzoeker] heeft voorts onweersproken gesteld dat hij gemiddeld 42 uur per week werkte en dat het hierbij corresponderende minimumuurloon (afgerond)  AGW 9,00 bedraagt. [verzoeker] ontving AWG 8,00 (netto) per uur, derhalve - aldus [verzoeker] - 1 Florin per uur te weinig. [verzoeker] heeft in totaal 504 uur voor [verweerder] gewerkt en heeft aldus AWG 504,00 te weinig ontvangen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4 [</nr>
      <para>verzoeker] heeft evenwel geen rekening gehouden met het feit dat hij AWG 8,00 <emphasis role="italic">netto </emphasis>per uur ontving, terwijl het minimum uurloon (afgerond) 9,00 <emphasis role="italic">bruto </emphasis>bedroeg. Ambtshalve is het gerecht bekend dat de belastingvrije voet AWG 20.252,00 bedraagt .Aangenomen wordt dat [verzoeker]. Die student was destijds, met zijn verdiensten beneden deze grens is gebleven, zodat er geen inkomstenbelasting hoefde te worden ingehouden. Wel had over het minimumuurloon, 7,4% premies volksverzekeringen ingehouden dienen te worden. Dit betekent dat zijn netto uurloon op basis van het minimum AWG 9,00 – 7,6% = AWG 8,32 zou hebben bedragen. [verzoeker] heeft AWG 8,00 netto ontvangen, derhalve AWG 0,32 per uur te weinig. In totaal heeft [verzoeker] 504 x AWG 0,32 = AWG 161,28 netto te weinig ontvangen, welk bedrag zal worden toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <parablock>
        <para>Wat betreft de beëindiging van het dienstverband strekt het volgende.</para>
        <para>[verzoeker] stelt dat hij op 31 maart 2014 te horen kreeg dat hij niet meer in dienst was. </para>
        <para>[verweerder] betwist echter dat zij [verzoeker] heeft ontslagen. Wat hier verder ook van zij, aangenomen wordt dat het dienstverband tussen partijen op 31 maart 2014 in onderling overleg is geëindigd, nu beide partijen hierin hebben berust. [verweerder] stelt dat zij op de hoogte was van de operatie van [verzoeker], maar zij heeft verzuimd om de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker]  te laten vaststellen door een onafhankelijk controleorgaan, zoals SVB of Medwork. Nu  uit de door [verzoeker] overgelegde medische verklaring volgt dat hij per 31 maart 2014 weer in staat was tot normale schoolactiviteiten wordt voorts aangenomen dat [verzoeker] van 5 tot en met 31 maart 2015 volledig arbeidsongeschikt was.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>Op grond van het bepaalde in artikel 7A:1614d BW behoudt een werknemer die de arbeid niet verricht wegens ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of ongeval, gedurende ten minste 6 weken het naar tijdruimte vastgestelde loon. Dit heeft tot gevolg dat het loon over de maand maart 2014 toewijsbaar is. [verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat het loon over de maand maart  2014  AWG 1.502,00 (netto) bedraagt, zodat ook dit toegewezen wordt.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat toewijsbaar is AWG 161,28  + AWG 1.502,00 =<?linebreak?>AWG 1.663,28 netto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf  4 december 2014 aangezien dit de eerste dag is waarop [verweerder] in verzuim was, tot de dag der voldoening. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat er buitengerechtelijke activiteiten zijn verricht, anders dan het verzenden van de ingebrekestelling. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9 [</nr>
      <para>verweerder] wordt nu zij grotendeels in het ongelijk is gesteld, in de kosten van de procedure veroordeeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>DE UITSPRAAK</title>
    <para>De rechter in dit gerecht:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>veroordeelt [verweerder] te betalen aan [verzoeker] een bedrag van AWG 1.663,28 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 december 2014 tot de dag der voldoening;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>veroordeelt [verweerder] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [verzoeker] begroot op AWG 50,00 griffierecht en AWG 500,00 voor salaris gemachtigde;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>wijst het meer of anders verzochte af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. Y.M. Vanwersch, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 27 oktober 2015 in aanwezigheid van de griffier.                       </para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>