<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2014:42</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-14T17:08:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-06-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CVB nr. 1286 van 2013</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2014:42">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2014:42</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-14T17:08:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2014:42 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 12-06-2014 / CVB nr. 1286 van 2013</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2014:42:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Uitleg artikel 5 Landsverordening Ziekteverzekering; aanspraak ziekengeld wegens eenzelfde ziekte vervalt twee jaar na eerste ziektemelding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2014:42:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Uitspraak van 12 juni 2014</para>
    <para>CVB nr. 1286 van 2013</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">COLLEGE VAN BEROEP</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>UITSPRAAK</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in de zin van de </para>
      <para>Landsverordening ziekteverzekering (LvZv) van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">[ X ]</emphasis>,</para>
      <para>wonende in Aruba,</para>
      <para>APPELLANTE,</para>
      <para>in persoon,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de beslissing van 17 mei 2013 van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK</emphasis>,</para>
      <para>zetelend in Aruba,</para>
      <para>VERWEERDER, hierna te noemen de bank,</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat [ A ].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>PROCESVERLOOP</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Bij brief van 17 mei 2013 heeft de bank appellante bericht dat zij vanaf 8 april 2013 geen recht meer heeft op tegemoetkoming in verband met verminderde belastbaarheid ten gevolge van chronische obstructieve longziekte, type bronchiëctasiën, onder ziektemeldingskaart 556612, omdat zij zich wegens deze ziekte op 7 november 2010 voor het eerst arbeidsongeschikt heeft gemeld en nadien twee jaren zijn verstreken. Voorts is appellante bericht dat de tegemoetkoming die zij onder ziektemeldingskaart 556612 heeft ontvangen, op onterechte gronden aan haar is toegekend, maar dat de bank de al toegekende tegemoetkomingen niet zal terugvorderen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Tegen deze beslissing heeft appellante op 27 mei 2013 schriftelijk beroep aangetekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Op 7 augustus 2013 heeft de bank een verweerschrift ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Het beroep van appellante is op de bijeenkomst van 27 februari 2014 van dit college behandeld, in aanwezigheid van appellante in persoon en [ B ], verzekeringsarts, [ C ], controlearts en [ D ], jurist, namens de bank, bijgestaan door de advocaat voornoemd.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>uitspraak is nader bepaald op heden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>OVERWEGINGEN</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Appellante kan zich niet verenigen met de beslissing van de bank om haar geen ziekengeld meer toe te kennen en stelt zich op het standpunt dat een redelijke wetsuitleg van artikel 5 LvZv met zich brengt dat met de 2 jaar wordt bedoeld, dat het recht op ziekengeld vervalt na cumulatief 2 jaar arbeidsongeschikt te zijn geweest omdat anders sprake is van een ongeoorloofd onderscheid welke zich niet verenigt met de Staatsregeling, noch het EVRM of het BuPo-verdrag.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de LvZv, voor zover thans van belang, heeft de werknemer die als gevolg van ziekte arbeidsongeschikt is, recht op ziekengeld vanaf de vierde dag van de ziektemelding. Ter zake van eenzelfde ziekteoorzaak vervalt dit recht na twee jaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Zoals door het College eerder is geoordeeld geldt de wettelijke termijn van twee jaren ongeacht de vraag of binnen die termijn sprake is geweest van periodes van arbeidsgeschiktheid. De tekst van de wet biedt geen ruimte voor een andere uitleg, dan dat de termijn van twee jaren – waarmee twee kalenderjaren worden bedoeld – aanvangt op de eerste dag van ziekmelding. De wet is op dit punt ook niet in strijd met hogere regelgeving. Het College acht de door de bank gehanteerde uitleg van de wet op dit punt daarom juist. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Niet in geschil is dat appellante vanaf 7 november 2010 onder ziektemeldingskaart 523976 aanspraak had op ziekengeld wegens verminderde belastbaarheid ten gevolge van chronische obstructieve longziekte. Derhalve had zij vanaf 7 november 2012 geen aanspraak meer op ziekengeld ter zake van die ziekteoorzaak. Het beroep is derhalve ongegrond. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>BESLISSING</title>
    <para>Het college</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven op 12 juni 2014 door mr. N.K. Engelbrecht, voorzitter, A.S. Pontilius en R. van Trigt, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>