<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGAACMB:2025:108</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-25T10:37:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerecht_in_Ambtenarenzaken_van_Aruba_Curacao_Sint_Maarten_en_van_Bonaire_Sint_Eustatius_en_Saba" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CUR202404883, CUR202404884 en CUR202404885</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGAACMB:2025:108">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGAACMB:2025:108</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-25T10:36:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGAACMB:2025:108 Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 27-10-2025 / CUR202404883, CUR202404884 en CUR202404885</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGAACMB:2025:108:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek om toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 96 Rar. Het Gerecht stelt vast dat de Regering inmiddels aan de uitspraak van de Raad en verklaart de bezwaren daarom niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGAACMB:2025:108:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Uitspraak</emphasis>
      </para>
      <para>in de zaken van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="bold">[Klager 1],</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="bold">[klager 2],</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="bold">[klager 3]</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <parablock>
      <para>wonende in Curaçao,</para>
      <para>klagers,</para>
      <para>gemachtigde: D.M. Ruiter,</para>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Regering van Curaçao,</title>
    <parablock>
      <para>verweerster,</para>
      <para>hierna: de Regering,</para>
      <para> gemachtigden: mrs. S.I. Da Costa Gomez en A.M. Faria, beiden advocaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het Gerecht beoordeelt in deze uitspraak de bezwaren van klagers vanwege het feit dat de Regering niet of niet volledig gevolg heeft gegeven aan de onherroepelijk geworden uitspraak van het Gerecht van 6 november 2023, zoals bevestigd door de Raad van beroep in Ambtenarenzaken (de Raad) bij uitspraak van 14 februari 2014 (de uitspraak van de Raad). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Klagers hebben op 30 juli 2024 bezwaar gemaakt daartegen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>De Regering heeft  een contramemorie ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>De Regering heeft bij drie afzonderlijke landsbesluiten van 28 oktober 2024 met ingang van 1 mei 2022 de functie en bezoldiging van klagers met ingang van 1 mei 2022 vastgesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Klagers hebben een nader stuk ingediend.	</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>De bezwaren zijn op 5 september 2025 op zitting behandeld. Klagers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De Regering heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Faria voornoemd.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>De Beoordeling door het Gerecht</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Het Gerecht beoordeelt in deze uitspraak het verzoek van klagers om schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 96 van de Rar, omdat de Regering geen uitvoering heeft gegeven aan  de uitspraak van de Raad. Het Gerecht komt tot het oordeel dat de bezwaren niet ontvankelijk moeten worden verklaard omdat de Regering inmiddels uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad. Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Wat is relevant om te weten in deze zaak?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Klagers zijn allen politieambtenaren. Zij waren eerst, na de opleiding daartoe te hebben afgerond, aangesteld als ambtenaar in vaste dienst bij de grensbewaking. Vervolgens zijn zij, na het succesvol afronden van de basispolitieopleiding, bij landsbesluit benoemd in de functie van medewerker Noodhulp/Handhaving. Zij hebben elk bezwaar gemaakt tegen die landsbesluiten omdat zij het niet eens waren met de daarbij vastgestelde bezoldiging. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>De bezwaren van klagers zijn door het Gerecht bij uitspraak van 5 april 2023 gegrond verklaard. Het Gerecht heeft kortgezegd geoordeeld dat de Regering niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke gronden zij tot de conclusie is gekomen dat de door klagers in de functie van Medewerker Grensbewaking opgedane ervaring niet kwalificeert als relevante werkervaring voor de functie van Medewerker Noodhulp/Handhaving. De Regering had de vertragingsregeling daarom niet mogen toepassen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>De Regering heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. De Raad heeft bij uitspraak van 14 februari 2024 (ECLI:NL:ORBAACM:2024:4) de uitspraak van het Gerecht bevestigd. De Raad heeft  daartoe overwogen dat de Regering geen gebruik had mogen maken van haar bevoegdheid om de vertragingsregeling toe te passen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>De Regering heeft bij drie afzonderlijke landsbesluiten van 28 oktober 2024 (de nieuwe landsbesluiten) met ingang van 1 mei 2022 de functie en bezoldiging van klagers met ingang van 1 mei 2022 vastgesteld. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Wat is het standpunt van klagers?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>4.	Klagers betogen dat de Regering met de nieuwe landsbesluiten geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad, aangezien deze landsbesluiten niet in overeenstemming zijn met die uitspraak. Zij verzoeken het Gerecht daarom de nieuwe landsbesluiten te vernietigen en de Regering op te dragen alsnog uitvoering te geven aan de uitspraak van de Raad  door landsbesluiten te slaan die daarmee in overeenstemming zijn, onder verbeurte van een dwangsom. Daarnaast hebben klagers ter zitting, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad, verzocht om toekenning van immateriële schadevergoeding, omdat de Regering pas in oktober 2024 en dus niet tijdig uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Welke wettelijke bepalingen zijn van toepassing in deze zaak?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Op grond van het eerste lid van artikel 96 van de Rar, is, indien  aan een veroordeling, in zover zij niet op geld luidt, hetzij in eerste aanleg bij een onherroepelijk geworden beslissing, hetzij in hoger beroep uitgesproken, niet of niet volledig gevolg gegeven wordt,  de ambtenaar bevoegd deswege een bezwaarschrift bij het gerecht in te dienen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Op grond van het derde lid, van datzelfde artikel, veroordeelt het Gerecht het betrokken lichaam tot vergoeding, indien het bezwaar gegrond bevonden wordt, en stelt, het Gerecht met inachtneming van alle omstandigheden, het bedrag der schadevergoeding bij de beslissing vast. De rechter geeft daarvoor, zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een bevelschrift van tenuitvoerlegging af. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Komt het verzoek om vervangende schadevergoeding voor toewijzing in aanmerking?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>Zoals ook ter zitting met partijen is besproken, biedt de RAr geen grondslag om in deze procedure de nieuwe landsbesluiten inhoudelijk te beoordelen. Als klagers het daar niet mee eens zijn, zullen zij daartegen afzonderlijk bezwaar moeten maken.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>De bezwaren van klagers in deze procedure zijn gebaseerd op artikel 96 van de RAr. Het Gerecht stelt vast dat de Regering met de nieuwe landsbesluiten alsnog uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad. Klagers kunnen gelet daarop met deze procedure niet meer bereiken dat aan hen vervangende schadevergoeding wordt toegekend voor de schade die zij meenden te hebben geleden doordat aanvankelijk geen uitvoering was gegeven aan de uitspraak van de Raad. Klagers hebben daarom geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van hun bezwaren. Dat klagers het niet eens zijn met de nieuwe beslissingen maakt het voorgaande niet anders. Zoals ook volgt uit overweging 6.1, kunnen klagers de juistheid van de nieuwe landsbesluiten aanvechten door daartegen afzonderlijk bezwaar te maken bij het Gerecht. De bezwaren zullen dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <parablock>
        <para>Het Gerecht ziet aanleiding om, alhoewel de bezwaren niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, de Regering op de hierna volgende wijze in de proceskosten te veroordelen. Dit omdat de Regering pas uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad door op 28 oktober 2024 de nieuwe landsbesluiten te slaan, nadat klagers op 30 juli 2024 al bezwaar hadden gemaakt bij het Gerecht op grond van artikel 96 van de RAr.</para>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Komt het verzoek om vervangende schadevergoeding voor toewijzing in aanmerking?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1</nr>
      <para>Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 28 augustus 2024 (ECLI:NL:ORBAACM:2024:22), maakt het niet uitvoeren van een uitspraak van het Gerecht inbreuk op het recht van de ambtenaar op een inhoudelijke beoordeling van zijn geschil door de rechter. In een dergelijk geval biedt artikel 96 van de RAr een grondslag om de daaruit voortvloeiende frustratie en spanning aan te merken als immateriële schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Daarmee wordt bijgedragen aan de effectiviteit van het rechtsmiddel in artikel 96 van de RAr. De Raad hanteert daarbij als uitgangspunt een schadevergoeding van Cg 500,- per verstreken halfjaar waarin het bestuursorgaan in verzuim is gebleven.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <para>Het Gerecht heeft de Regering bij uitspraak van 5 april 2023 opgedragen om binnen vier maanden na de datum van die uitspraak nieuwe landsbesluiten te slaan. De Regering heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Op grond van artikel 97, derde lid, van de RAr schorst het hoger beroep de werking van die uitspraak. De termijn van vier maanden is daarom pas gaan lopen nadat de Raad op 14 februari 2024 de uitspraak van het Gerecht heeft bevestigd. Dat betekent dat de landsbesluiten uiterlijk op 14 juni 2024 genomen hadden moeten zijn. De Regering heeft dit echter pas op 28 oktober 2024 gedaan, dus ruim vier maanden te laat. Uitgaande van het door de Raad gehanteerde tarief, van Cg 500,- per halfjaar vertraging zal het Gerecht aan elk van de klagers een vergoeding van Cg 500,- toekennen.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para>8. Uit het voorgaande volgt dat de bezwaren niet-ontvankelijk zullen worden verklaard omdat de Regering inmiddels uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad. Het  Gerecht zal de Regering wel veroordelen tot vergoeding van immateriële schade aan klagers omdat de Regering niet tijdig uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad. </para>
    <para />
    <para>9. Het Gerecht ziet aanleiding om, met overeenkomstige toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, de Regering te veroordelen in de proceskosten van klagers. De gemachtigde heeft één bezwaarschrift ingediend namens klagers, waardoor hiervoor slechts één punt wordt toegekend. De proceskosten worden vastgesteld op Cg 1.400,-, bestaande uit 2 punten à Cg 700,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gerecht in Ambtenarenzaken:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="underline">verklaart</emphasis>  de bezwaren van klagers  niet-ontvankelijk;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="underline">veroordeelt</emphasis> de Regering tot vergoeding van schade aan klagers, tot een bedrag van Cg 500,- per klager;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="underline">veroordeelt</emphasis> de Regering tot betaling aan klagers van hun proceskosten tot een bedrag van Cg1.400,- geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025 in tegenwoordigheid van P.N.F. Pereira do Tanque,  griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>