<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGAACMB:2018:66</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-24T10:09:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-08-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerecht_in_Ambtenarenzaken_van_Aruba_Curacao_Sint_Maarten_en_van_Bonaire_Sint_Eustatius_en_Saba" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-07-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">GAZ CUR201801640</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGAACMB:2018:66">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGAACMB:2018:66</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-08-27T13:49:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGAACMB:2018:66 Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 30-07-2018 / GAZ CUR201801640</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGAACMB:2018:66:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Spoedeisend belang</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGAACMB:2018:66:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beslissing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het verzoek om een voorziening bij voorraad van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[klager]</emphasis>,</para>
      <para>wonende te Curaçao,</para>
      <para>klager, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in het geschil tussen klager en:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Regering van het land Curaçao </emphasis>(de Regering),</para>
      <para>zetelende te Curaçao,</para>
      <para>verweerster,</para>
      <para>gemachtigde: mr. L.S. Davelaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Bij brief van 10 november 2017 heeft klager de minister van Justitie (de minister) verzocht om hersteld te worden in zijn functie bij het Korps Politie Curaçao (KPC) en zijn werkzaamheden te hervatten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Bij brief van 19 februari 2018 heeft klager de minister wederom verzocht om hersteld te worden in zijn functie bij het KPC en om zijn loon vanaf april 2013 met terugwerkende kracht uit te betalen en maandelijks door te betalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Bij bezwaarschrift, bij het Gerecht binnengekomen op 22 mei 2018, heeft klager bezwaar ingesteld tegen de weigering van de Regering om op zijn verzoeken van         10 november 2017 en 19 februari 2018 te beslissen (de weigering). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Op 28 mei 2018 heeft klager het Gerecht verzocht om als voorziening bij voorraad de weigering van de Regering om zijn loon aan hem uit te betalen te schorsen totdat in de hoofdzaak onherroepelijk is beslist en de Regering te bevelen dat loon onmiddellijk na deze uitspraak uit te betalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Op 11 juli 2018 heeft de Regering een aantal producties ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>De openbare behandeling van het verzoek heeft ter zitting van het Gerecht op 16 juli 2018 plaatsgevonden. Klager is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.  De Regering heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Bij Landsbesluit van 15 april 2013 is klager per 1 april 2013 eervol ontslagen als adspirant agent bij het KPC, omdat hij afgewezen is voor de Basis Politie Opleiding (het ontslagbesluit). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Het Gerecht heeft het bezwaar van klager tegen het ontslagbesluit bij uitspraak van 19 juni 2014 gegrond verklaard en het ontslagbesluit vernietigd (de uitspraak).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Bij e-mailbericht van 20 september 2017 heeft de Regering van het Land Curaçao het hoger beroep tegen de uitspraak ingetrokken. Naar aanleiding daarvan heeft klager de verzoeken van 10 november 2017 en 19 februari 2018 gedaan. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Op grond van artikel 94, eerste lid, eerste zin, van de Regeling Ambtenarenrechtspraak (RAr) kan een ambtenaar bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het Gerecht een beslissing bij voorraad verzoeken in alle gevallen waarin een bezwaarschrift op grond van RAr kan worden ingediend, doch waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Krachtens vaste jurisprudentie moet onder nadeel worden verstaan een groot of onherstelbaar nadeel dat verzoeker achteraf zal blijken te hebben geleden, indien het bestreden besluit door het Gerecht nietig zal worden verklaard.	</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Beoordeeld dient te worden of de omstandigheden van dit geval toewijzing van de verzochte voorzieningen rechtvaardigen. Het oordeel in deze procedure heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Klager voert aan dat de Regering onrechtmatig jegens hem handelt door na te laten op zijn verzoeken om uitbetaling van zijn salaris met terugwerkende kracht tot april 2013 te beslissen en dat hij door die weigering om te beslissen schade lijdt. Het spoedeisend belang bij de door hem verzochte voorziening is, aldus klager, gelegen in de omstandigheid dat zijn huidige werkgever, de Isla raffinaderij, een ontslagronde heeft aangekondigd. Klager vreest dat indien daarbij het LIFO-beginsel wordt toegepast, hij een van de eersten zal zijn die voor ontslag in aanmerking komt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Klager heeft voor het eerst op 19 februari 2018, bijna vijf jaar na zijn ontslag, de minister verzocht om uitbetaling van zijn loon. Klager heeft naar het oordeel van het Gerecht onvoldoende gesteld dat thans, na ruim vijf jaar, sprake is van een zodanig spoedeisend belang dat niet van hem kan worden gevergd dat hij de beslissing in de bodemzaak afwacht. Bovendien is klager thans nog werkzaam bij de Isla raffinaderij en geniet dus nog inkomen. De enkele mogelijkheid dat klager in de toekomst wellicht zal worden ontslagen en dan zonder inkomen zal komen te zitten, maakt niet dat thans sprake is van een spoedeisend belang in de hier bedoelde zin. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Zoals ter zitting namens de Regering is toegezegd, verstaat het Gerecht dat zij zo spoedig mogelijk op voormelde brieven van 10 november 2017 en 19 februari 2018 zal reageren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Voor een proceskostenveroordeling ziet het Gerecht geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para>-	Het Gerecht in Ambtenarenzaken <emphasis role="underline">wijst</emphasis> het verzoek <emphasis role="underline">af</emphasis>.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2018 in tegenwoordigheid van mr. S.N. Aswani, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Zie artikel 94 van de RAr.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>