<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGAACMB:2018:14</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-03-20T14:05:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerecht_in_Ambtenarenzaken_van_Aruba_Curacao_Sint_Maarten_en_van_Bonaire_Sint_Eustatius_en_Saba" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-03-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA201702366</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGAACMB:2018:14">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGAACMB:2018:14</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-03-20T14:05:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGAACMB:2018:14 Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 12-03-2018 / AUA201702366</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGAACMB:2018:14:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het gerecht overweegt dat klaagster niet tijdig in bezwaar is gekomen tegen het bestreden landsbesluit, nu het bezwaar niet binnen 30 dagen is ingediend. Nu klaagster geen gronden heeft aangevoerd, waaruit blijkt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, is de uitzondering bepaalt in artikel 41 lid 3 La in het onderhavige geval ook niet van toepassing. Het bezwaar is niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGAACMB:2018:14:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Uitspraak van 12 maart 2018</para>
    <para>AUA201702366</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>UITSPRAAK</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het bezwaar van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">[klaagster]</emphasis>
        <emphasis role="bold">,</emphasis>
      </para>
      <para>wonend te Aruba,</para>
      <para>KLAAGSTER,</para>
      <para>gemachtigde: mr. R.P.L. Lee,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">de Gouverneur van Aruba</emphasis>
        <emphasis role="bold">,</emphasis>
      </para>
      <para>zetelend te Aruba,</para>
      <para>VERWEERDER,</para>
      <para>gemachtigde: mr. J.O. Senchi (DWJZ).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>PROCESVERLOOP</title>
    <para>Bij landsbesluit van 20 juli 2017 no. 35 is met toepassing van artikel 83, lid 1 sub d van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: Lma) aan klaagster een disciplinaire straf opgelegd van gedeeltelijke inhouding van het inkomen ter grootte van Afl. 1.000,-. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit heeft klaagster op 14 september 2017 bezwaar gemaakt, door indiening van een bezwaarschrift bij het gerecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 27 december 2017 een contramemorie, met producties, ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 21 januari 2018 heeft klaagster nadere stukken, per fax, ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is behandeld ter zitting van 29 januari 2018, alwaar alleen verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd is verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak nader bepaald op heden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>OVERWEGINGEN</title>
    <bridgehead role="underline italic">De ontvankelijkheid</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Voor het indienen van een bezwaarschrift is blijkens artikel 41 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) een termijn van dertig dagen toegestaan, aanvangende de dag na het plaats hebben van het feit dat er aanleiding toe gegeven heeft of de dag nadat de ambtenaar er redelijkerwijs van heeft kunnen kennis dragen. Klaagster heeft onweersproken gesteld dat zij het bestreden landsbesluit van 20 juli 2017 op 14 augustus 2017 heeft ontvangen. Uit artikel 41 van de La volgt dan ook dat zij tot uiterlijk 13 september 2017 hiertegen had kunnen opkomen. Klaagster heeft op 14 september 2017 haar bezwaar bij het gerecht ingediend. Het gerecht overweegt derhalve dat klaagster niet tijdig in bezwaar is gekomen tegen het bestreden landsbesluit  van 20 juli 2017, nu het bezwaar niet binnen 30 dagen na 14 augustus 2017 is ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>Ingevolge het derde lid van artikel 41 van de La wordt hij die bezwaar inbrengt na de hiervoor bepaalde termijn, niet op grond daarvan niet ontvankelijk verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking, handeling of weigering redelijkerwijs heeft kunnen kennis dragen.                         </para>
        <para>Nu klaagster geen gronden heeft aangevoerd, waaruit blijkt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, is de uitzondering bepaalt in artikel 41 lid 3 La in het onderhavige geval ook niet van toepassing.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Gelet op het vorenoverwogene is het gerecht, met verweerder, van oordeel dat klaagster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>BESLISSING</title>
    <para>De rechter in dit gerecht:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het bezwaar van klaagster niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gegeven door mr. E.M.D. Angela, rechter in ambtenarenzaken te Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 12 maart 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, La). </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>