<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2025:843</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-28T15:41:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/02206</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2025:345" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:345</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2025/1792</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2025/724</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2025/169</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2025-0196</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:843">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:843</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-02T15:32:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2025:843 Hoge Raad , 03-06-2025 / 24/02206</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2025:843:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Jeugdzaak. Medeplegen opzettelijke brandstichting door explosief in portiek aan te brengen, art. 157.1 en 157.2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Grondslagverlating. Was hof gehouden in bewezenverklaring keuze te maken tussen medeplegen van poging tot opzettelijke brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten is en medeplegen van poging tot opzettelijke brandstichting waarbij levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor ander te duchten is? 2. Bewijsklachten medeplegen en “terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor ander, te weten in die woning en/of naastgelegen woning(en) bevindende personen te duchten was”. </para>
        <para>Ad 1. In het algemeen geldt dat zogenoemde alternatieve bewezenverklaring toelaatbaar is v.zv. keuze uit de in tll. alternatief vermelde kwalificaties voor strafrechtelijke betekenis van feit van geen belang is. Zo’n belang is in ieder geval aanwezig als aan alternatieven ongelijke strafmaxima zijn verbonden (vgl. HR:2011:BO6691). Hof heeft in bewezenverklaring geen keuze gemaakt tussen enerzijds medeplegen van poging tot opzettelijke brandstichting of teweegbrengen van ontploffing terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, en anderzijds medeplegen van poging tot opzettelijke brandstichting of teweegbrengen van ontploffing terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor ander te duchten is. Omdat verdachte op moment van (mede)plegen van feit nog geen 16 jaren oud was, heeft hof toepassing gegeven aan art. 77i Sr. O.g.v. deze bepaling worden beide alternatieven (zowel ieder voor zich als gezamenlijk beschouwd) met maximaal 12 maanden jeugddetentie bedreigd. Onder die omstandigheden heeft hof wat hiervoor is vooropgesteld niet miskend. </para>
        <para>Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Hof kon o.b.v. zijn vaststellingen in bewijsvoering oordelen dat verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd en dat derhalve sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking in de zin van medeplegen. ’s Hofs vaststellingen o.b.v. bewijsmiddelen kunnen ’s hofs oordeel dragen, v.zv. inhoudende dat wanneer brandbom tot ontploffing was gebracht levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor ander te duchten was geweest. Hof hoefde niet nader te motiveren dat bij het ontploffen van brandbom brand zou kunnen ontstaan in ingang van woningen en dat die brand mogelijk zou doortrekken naar andere (delen van) woningen, terwijl daarin (gelet op tijdstip waarop een en ander plaatsvond) mensen aanwezig waren die hun huis wellicht niet (op tijd) zouden kunnen ontvluchten (feit van algemene bekendheid). </para>
        <para>Volgt verwerping.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2025:843:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer </emphasis>24/02206 J</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum	</emphasis>3 juni 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 6 juni 2024, nummer 22-002616-23, in de strafzaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] ,</para>
      <para>geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. </para>
      <para>De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het eerste cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof in de bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde ten onrechte geen keuze heeft gemaakt tussen het medeplegen van een poging tot opzettelijke brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten is, of het medeplegen van een poging tot opzettelijke brandstichting waarbij levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.</para>
      <paragroup>
        <nr>2.2.1</nr>
        <parablock>
          <para>Aan de verdachte is primair tenlastegelegd dat: </para>
          <para>“hij op of omstreeks 27 april 2023 te [plaats] , ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten in/aan een woning en/of portiek gelegen aan de [a-straat 1] , terwijl daarvan </para>
          <para>- gemeen gevaar voor goederen, te weten de (naastgelegen) woning(en) en/of de in die woning(en) bevindende goederen en/of</para>
          <para>- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woning en/of de/een naastgelegen woning(en) bevindende personen te duchten was, met dat opzet</para>
          <para>- een brandbare vloeistof tegen een houten plaat heeft gegooid/gespoten/gegoten/gesprenkeld en/of</para>
          <para>- (vervolgens) twee, althans een of meer, cobra(‘s) 20, in elk geval vuurwerk- en/of een brandbom heeft vastgeplakt aan een fles terpentine, althans een brandbare vloeistof en die fles bij voornoemde woningen heeft geplaatst</para>
          <para>terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.” </para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.2</nr>
        <parablock>
          <para>Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:</para>
          <para>“hij op 27 april 2023 te [plaats] , ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten in/aan een woning en/of portiek gelegen aan de [a-straat 1] , terwijl daarvan </para>
          <para>- gemeen gevaar voor goederen, te weten de (naastgelegen) woning(en) en/of de in die woning(en) bevindende goederen en/of</para>
          <para>- levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die woning en/of de/een naastgelegen woning(en) bevindende personen te duchten was, met dat opzet</para>
          <para>- een brandbare vloeistof tegen een houtenplaat heeft gegoten en</para>
          <para>- twee cobra’s 20 heeft vastgeplakt aan een fles terpentine en die fles bij voornoemde woningen heeft geplaatst</para>
          <para>terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”</para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>De volgende bepalingen zijn van belang.</para>
        <para>- Artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr): </para>
        <para>“Hij die opzettelijk brand sticht, een ontploffing teweegbrengt of een overstroming veroorzaakt, wordt gestraft:</para>
        <para>1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;</para>
        <para>2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;</para>
        <para>3°. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.”</para>
        <para>- Artikel 77i lid 1, aanhef en onder a, Sr:</para>
        <para>“De duur van de jeugddetentie is:</para>
        <para>a. voor degene die ten tijde van het begaan van het misdrijf de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt: ten minste een dag en ten hoogste twaalf maanden.”</para>
      </parablock>
      <paragroup>
        <nr>2.4.1</nr>
        <para>In het algemeen geldt dat een zogenoemde alternatieve bewezenverklaring toelaatbaar is voor zover een keuze uit de in de tenlastelegging alternatief vermelde kwalificaties voor de strafrechtelijke betekenis van het feit van geen belang is. Zo’n belang is in ieder geval aanwezig als aan de alternatieven ongelijke strafmaxima zijn verbonden. (Vgl. HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6691, rechtsoverweging 2.5.2.)</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.4.2</nr>
        <para>Het hof heeft in de bewezenverklaring geen keuze gemaakt tussen enerzijds het medeplegen van een poging tot opzettelijke brandstichting of het teweegbrengen van een ontploffing terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, en anderzijds het medeplegen van een poging tot opzettelijke brandstichting of het teweegbrengen van een ontploffing terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Omdat de verdachte op het moment van het (mede)plegen van het feit nog geen zestien jaren oud was, heeft het hof toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 77i Sr. Op grond van deze bepaling worden beide alternatieven – zowel ieder voor zich als gezamenlijk beschouwd – met maximaal twaalf maanden jeugddetentie bedreigd. Onder die omstandigheden heeft het hof wat onder 2.4.1 is vooropgesteld, niet miskend.</para>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Het cassatiemiddel faalt in zoverre.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De cassatiemiddelen komen op tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5, 6, 12, 14 en 15.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">3 juni 2025</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>