<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2025:636</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-14T10:06:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-04-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/02999</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2025:389" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:389</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2025/627</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:636">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:636</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-18T09:27:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2025:636 Hoge Raad , 22-04-2025 / 23/02999</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2025:636:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Belaging van zijn voormalige sociotherapeut, art. 285b.1 Sr. </para>
        <para>1. Bewijsklacht stelselmatigheid. Heeft verdachte ‘stelselmatig’ inbreuk gemaakt op persoonlijke levenssfeer van slachtoffer? </para>
        <para>2. Vertegenwoordiging van slachtoffer door gemachtigde, art. 51c.3 Sv. Beschikte gemachtigde die vordering benadeelde partij ttz. in hoger beroep heeft toegelicht over bijzondere en schriftelijke volmacht? </para>
        <para>3. Oplegging vrijheidsbeperkende maatregel voor feit dat mede vóór 1-4-2012 is begaan, art. 1.1 en 38v Sr. </para>
        <para>Ad 1. en 2. HR: art. 81.1 RO. </para>
        <para>Ad 3. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte voor de in periode tussen 3-9-2009 en 27-5-2019 gepleegde belaging veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden (gebieds- en contactverbod) en vrijheidsbeperkende maatregel (gebieds- en contactverbod). Inwerkingtreding van art. 38v Sr (mogelijkheid tot oplegging vrijheidsbeperkende maatregel) op 1-4-2012 houdt in het licht van art. 1.1 Sr wijziging van toepasselijke regels van sanctierecht in. Nu bewezenverklaard feit, dat door hof als 1 misdrijf is gekwalificeerd, mede vóór 1-4-2012 is begaan, had art. 38v Sr buiten toepassing moeten blijven (vgl. HR:2018:79 en HR:2018:80). HR zal oplegging vrijheidsbeperkende maatregel en bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid daarvan vernietigen. Aan voorwaardelijke gevangenisstraf verbonden bijzondere voorwaarden blijven in stand. </para>
        <para>Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. oplegging vrijheidsbeperkende maatregel en bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid daarvan.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2025:636:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer </emphasis>23/02999 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum	</emphasis>22 april 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 juli 2023, nummer 22-001043-21, in de strafzaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] ,</para>
      <para>geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.J.M. Dammers bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. </para>
      <para>Namens [benadeelde] heeft de advocaat W.A. Koers een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de oplegging van de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid en het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel, en tot verwerping van het beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de cassatiemiddelen</title>
    <para>De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen [plaats] tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).</para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het hof heeft de verdachte voor belaging van [benadeelde] , gepleegd in de periode tussen 3 juni 2009 en 27 mei 2019, onder meer veroordeeld tot i) een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, waarbij als bijzondere voorwaarden zijn gesteld dat het de verdachte gedurende de proeftijd van drie jaren is verboden contact te leggen of te laten leggen met [benadeelde] en zich te bevinden in de gemeenten [plaats] en [plaats] , en ii) een vrijheidsbeperkende maatregel van vijf jaren die inhoudt dat de verdachte zich niet zal ophouden in de gemeenten [plaats] en [plaats] , en op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde] .</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voorziet in de mogelijkheid een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Deze bepaling is ingevoerd bij de Wet van 17 november 2011, Stb. 2011, 546 (Wet rechterlijk gebieds- of contactverbod), die op 1 april 2012 in werking is getreden. De invoering van deze bepaling houdt, in het licht van artikel 1 lid 1 Sr, een wijziging in van de toepasselijke regels van sanctierecht.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>In aanmerking genomen dat het bewezenverklaarde feit, dat door het hof als één misdrijf is gekwalificeerd, mede vóór 1 april 2012 is begaan, heeft het hof miskend dat genoemde bepaling buiten toepassing moet blijven (vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:79 en ECLI:NL:HR:2018:80). De Hoge Raad zal de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel en het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid daarvan vernietigen. De onder 3.1 genoemde bijzondere voorwaarden die het hof heeft verbonden aan de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden blijven in stand.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel en het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid daarvan;</para>
      <para>- verwerpt het beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">22 april 2025</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>