<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2025:378</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-13T10:31:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-03-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-03-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/01546</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBDHA:2024:3089" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/sprongcassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBDHA:2024:3089</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2024:1403" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1403</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NDFR Nieuws 2025/480</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2025031401</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2025-0542</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2025/516</rdf:li>
          <rdf:li>Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/320</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2025/468 met annotatie van Mr. A.J.M. Arends</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2025/13.3 met annotatie van Redactie</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2025/604</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2025/0636 met annotatie van Jelle van den Berg</rdf:li>
          <rdf:li>Vp-bulletin 2025/15 met annotatie van Redactie</rdf:li>
          <rdf:li>VFP 2025/64</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2025/60 met annotatie van K.N.C. van Buuren</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2025/86 met annotatie van E.J.W. Heithuis</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:378">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:378</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-13T11:00:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-03-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2025:378 Hoge Raad , 14-03-2025 / 24/01546</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2025:378:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Inkomstenbelasting; art. 2.14, 3.119a, 10bis.1, 10bis.9 Wet IB 2001. Bestaande eigen woningschuld. Verhouding rangorderegeling tot overgangsrecht in hoofdstuk 10bis Wet IB 2001</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2025:378:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BELASTINGKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer </emphasis>24/01546 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum	</emphasis>14 maart 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [X] (hierna: belanghebbende)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 6 maart 2024, nrs. SGR 22/7971 en SGR 22/7977<footnote-ref linkend="_9e082418-41bf-4f4c-ae85-ef54f065d8b7" />, betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2016 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.F. van Immerseel en L.E.F. Pietersen, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 20 december 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.<footnote-ref linkend="_373f6fd4-b189-4e31-a297-57f3f95dc264" /></para>
      <para>Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Uitgangspunten in cassatie</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>De eigen woning van belanghebbende was in 2016 gefinancierd met een aflossingsvrije hypothecaire lening die op 31 december 2012 deel uitmaakte van belanghebbendes eigenwoningschuld, als bedoeld in artikel 3.119a, lid 1, Wet IB 2001 (hierna: de lening).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Belanghebbende heeft de lening in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2016 aangemerkt als schuld in box 3. In zijn geval zou dat tot een lagere aanslag leiden dan wanneer de lening zou zijn aangemerkt als eigenwoningschuld in box 1. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>De Inspecteur heeft de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 opgelegd overeenkomstig de aangifte. De Inspecteur heeft vervolgens een navorderingsaanslag over het jaar 2016 opgelegd. Daarbij is de lening in aanmerking genomen als eigenwoningschuld in box 1 in plaats van als schuld in box 3. De inspecteur heeft zich hierbij gebaseerd op het overgangsrecht van artikel 10bis.1 Wet IB 2001. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Voor de Rechtbank was onder meer in geschil of de lening terecht is aangemerkt als een eigenwoningschuld in box 1. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de lening is aangegaan in verband met de verwerving van de eigen woning vóór het jaar 2013. Dit brengt mee dat de lening op grond van artikel 3.119a Wet IB 2001, in samenhang gelezen met artikel 10bis.9, lid 1, Wet IB 2001, en artikel 10bis.1, lid 1, Wet IB 2001 moet worden aangemerkt als eigenwoningschuld, aldus de Rechtbank. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het middel</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Voor zover het middel betoogt dat de Rechtbank met haar hiervoor in 2.4 weergegeven oordeel een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de rangorderegeling van artikel 2.14 Wet IB 2001 en het overgangsrecht zoals opgenomen in artikel 10bis.1 Wet IB 2001, faalt het om de redenen die zijn vermeld in de onderdelen 5.11, 5.12, 5.17 en 5.18 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, waarin de lening is aangeduid als Lening 2. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Voor zover het middel heeft bedoeld een beroep te doen op schending van de in het EVRM en het IVBPR neergelegde discriminatieverboden omdat belastingplichtigen met een na 1 januari 2013 afgesloten lening wel de mogelijkheid hebben om hun lening ‘te herkwalificeren’, faalt het eveneens. De ruime beoordelingsvrijheid voor de fiscale wetgever is niet overschreden met diens keuze om de voorgeschreven toepassing van het regime voor eigenwoningschulden dat gold op 31 december 2012, te beperken tot op die datum bestaande eigenwoningschulden. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Proceskosten</title>
    <para>De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para>De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.T. Boerlage als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2025.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_9e082418-41bf-4f4c-ae85-ef54f065d8b7" label="1">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2024:3089.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_373f6fd4-b189-4e31-a297-57f3f95dc264" label="2">
    <para> ECLI:NL:PHR:2024:1403.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>