<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2025:1882</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-14T10:01:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/04692</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHAMS:2024:3239" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2024:3239</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NDFR Nieuws 2025/1957</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2025121206</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2025/2478</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2025-2448</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2025/2039 met annotatie van mr. E.D. Postema</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2025/2603</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2025/56.26.5</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2026/20</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1882">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1882</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-11T12:42:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2025:1882 Hoge Raad , 12-12-2025 / 24/04692</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2025:1882:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overschrijding van de redelijke termijn; vergoeding immateriële schade door Hof gematigd van € 500 naar € 50.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2025:1882:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BELASTINGKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer </emphasis>24/04692 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum	</emphasis>12 december 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [X] (hierna: belanghebbende)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE HAARLEMMERMEER</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 5 november 2024, nr. 23/858<footnote-ref linkend="_b40ff6fa-1551-4dd5-95ac-131489225c82" />, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 22/1862) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>Zowel het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P1] , als de Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. </para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het middel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het Hof heeft de door de Rechtbank vastgestelde bedragen aan door de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer en de Staat te vergoeden immateriële schade verlaagd tot respectievelijk € 42 en € 8. Het daartegen gerichte middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 8 augustus 2025, ECLI:NL:HR:2025:1122.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Gelet op wat hiervoor in 2.1 is overwogen, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven voor zover deze de vergoeding van immateriële schade betreft. De Hoge Raad kan de zaak afdoen door de uitspraak van de Rechtbank wat betreft de vergoeding van immateriële schade te bevestigen.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Proceskosten </title>
    <para>Het College en de Staat zullen ieder voor de helft worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De heffingsambtenaar en de Staat zullen ieder voor de helft worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof voor zover die kosten het incidentele hoger beroep betreffen.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm,<footnote-ref linkend="_80c77f07-b5d9-4d42-b061-7e5f981cf6d0" /> gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in het arrest van de Hoge Raad van 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1175. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 4.1 bedoelde beoordeling te maken. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op haar rustende bewijslast. Het College en de Staat zullen daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para>De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 4.3 beschreven procedure is gevolgd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_b40ff6fa-1551-4dd5-95ac-131489225c82" label="1">
    <para> ECLI:NL:GHAMS:2024:3239.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_80c77f07-b5d9-4d42-b061-7e5f981cf6d0" label="2">
    <para> Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>