<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2025:1312</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-07T10:03:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/00670</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2025:712" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:712</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2025/1143</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1312">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1312</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-22T13:10:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2025:1312 Hoge Raad , 07-10-2025 / 24/00670</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2025:1312:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag van € 5.000 onder ander dan klager t.z.v. verdenking van poging tot gekwalificeerde doodslag (ripdeal), waarna strafrechter in zijn strafzaak de klager heeft vrijgesproken en in strafzaak tegen medeverdachte het geldbedrag verbeurd heeft verklaard. Ontvankelijkheid cassatieberoep.</para>
        <para>Uit door A-G ingewonnen inlichtingen blijkt dat geldbedrag waarvan klager teruggave verzoekt, bij arrest van hof van 31-3-2022 in strafzaak tegen medeverdachte van klager is verbeurdverklaard. Tegen dit arrest is geen beroep in cassatie ingesteld, zodat dit op 15-4-2022 onherroepelijk is geworden. Nu al op moment van indiening van klaagschrift a.b.i. art. 552a Sv (op 3-7-2023) betreffend geldbedrag bij inmiddels uitvoerbare beslissing t.l.v. ander was verbeurdverklaard, is er geen aanleiding om dit klaagschrift op te vatten als klaagschrift a.b.i. art. 552b Sv (vgl. HR:1993:ZC9284). Deze beslissing over beslag in strafzaak tegen medeverdachte van klager betekent dat klager geen belang heeft bij beroep tegen beschikking waarbij klaagschrift ongegrond is verklaard. In beschikking is immers naar zijn aard een beslissing gegeven in afwachting van oordeel van strafrechter over beslag op geldbedrag. Door diens op 15-4-2022 onherroepelijk geworden beslissing tot verbeurdverklaring in strafzaak tegen medeverdachte van klager, kan op klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen.</para>
        <para>Klager n-o.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2025:1312:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer </emphasis>24/00670 B</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum	</emphasis>7 oktober 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>BESCHIKKING </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 19 december 2023, nummer RK 000526-23, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>door</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [klager] ,</para>
      <para>geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,</para>
      <para>hierna: de klager.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.</para>
      <para>De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de klager niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Bij een op 3 juli 2023 op de griffie van het gerechtshof Amsterdam ingediend klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is door de klager om teruggave verzocht van een onder een ander dan de klager inbeslaggenomen geldbedrag van € 5.000. Daartoe is door de klager onder meer gesteld dat dit geldbedrag hem toebehoort. Het hof heeft het klaagschrift bij beschikking van 19 december 2023 ongegrond verklaard.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Uit door de advocaat-generaal ingewonnen inlichtingen, zoals vermeld in zijn conclusie onder 3.1, blijkt dat het geldbedrag waarvan de klager teruggave verzoekt, bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 31 maart 2022 in de strafzaak tegen de medeverdachte van de klager is verbeurdverklaard. Tegen dit arrest is geen beroep in cassatie ingesteld, zodat dit op 15 april 2022 onherroepelijk is geworden. Nu al op het moment van indiening van het klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv het betreffende geldbedrag bij inmiddels uitvoerbare beslissing ten laste van een ander was verbeurdverklaard, is er geen aanleiding om dit klaagschrift op te vatten als een klaagschrift als bedoeld in artikel 552b Sv (vgl. HR 23 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9284). </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Deze beslissing over het beslag in de strafzaak tegen de medeverdachte van de klager betekent dat de klager geen belang heeft bij het beroep tegen de beschikking waarbij het klaagschrift ongegrond is verklaard. In de beschikking is immers naar zijn aard een beslissing gegeven in afwachting van het oordeel van de strafrechter over het beslag op het geldbedrag. Door diens op 15 april 2022 onherroepelijk geworden beslissing tot verbeurdverklaring in de strafzaak tegen de medeverdachte van de klager, kan op het klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para>De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">7 oktober 2025</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>