<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2025:1235</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-07-08T09:50:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">25/00116</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHDHA:2024:2336" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:2336</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2025091902</rdf:li>
          <rdf:li>NDFR Nieuws 2025/1438</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2025/1818</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2025-1845</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2025/1946 met annotatie van mr. P.F. van der Muur</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2025/1474 met annotatie van mr. E.D. Postema</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2025/41.12 met annotatie van Redactie</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2025/2409</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 2025/399 met annotatie van L.J. Boone</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2025/126 met annotatie van A.O. Lubbers</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2025/113 met annotatie van G. Groenewegen</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1235">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1235</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-19T11:10:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2025:1235 Hoge Raad , 19-09-2025 / 25/00116</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2025:1235:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aanslag riool- en waterzorgheffing. Verordening op de heffing en de invordering van riool- en waterzorgheffing Westland 2022. De objectafbakening in de Wet WOZ kan niet in deze procedure aan de orde komen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2025:1235:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BELASTINGKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer </emphasis>25/00116 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum	</emphasis>19 september 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [X] B.V. (hierna: belanghebbende)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE WESTLAND</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 5 december 2024, nr. BK-23/1128<footnote-ref linkend="_ddf2bc9f-aadd-4740-9959-c0cbdc2e7177" />, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/3286) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de rioolheffing voor eigenaren.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Belanghebbende, vertegenwoordigd door Z.M. Nasir, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.</para>
      <para>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.</para>
      <para>Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Uitgangspunten in cassatie</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Aan belanghebbende is voor het kalenderjaar 2022 een aanslag in de rioolheffing van de gemeente Westland opgelegd voor de eigendom van een onroerende zaak (hierna: de aanslag).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>In de Verordening op de heffing en de invordering van riool- en waterzorgheffing Westland 2022 (hierna: de Verordening) is in artikel 3, leden 1 en 2 bepaald dat het voorwerp van de belasting een perceel is, en dat als perceel onder meer wordt aangemerkt: de onroerende zaak als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ). De rioolheffing wordt op grond van artikel 5, lid 1, van de Verordening van eigenaren geheven naar de waarde in het economische verkeer van het perceel. Volgens het tweede lid van artikel 5 is dat de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet WOZ voor de onroerende zaak vastgestelde waarde.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De oordelen van het Hof</title>
    <para>Belanghebbende heeft zich voor het Hof onder meer op het standpunt gesteld dat de aanslag moet worden vernietigd omdat die berust op een onjuiste objectafbakening. Het Hof heeft dit standpunt verworpen. Het heeft daartoe geoordeeld dat in deze procedure over de aanslag niet de objectafbakening aan de orde kan komen, aangezien de Verordening voor het voorwerp van belasting rechtstreeks verwijst naar (de objectafbakening in) de Wet WOZ.</para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Beoordeling van de klachten</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>De klachten zijn onder meer gericht tegen het hiervoor in 3 bedoelde oordeel van het Hof. In zoverre falen de klachten, aangezien het oordeel van het Hof juist is. Wat betreft de maatstaf van heffing bij eigenaren, zijnde de waarde in het economische verkeer van het perceel, verwijst artikel 5, lid 2, van de Verordening naar de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet WOZ voor de onroerende zaak vastgestelde waarde. De lijdelijke positie die de Verordening daarmee inneemt ten opzichte van de WOZ-beschikking, staat eraan in de weg dat de objectafbakening op grond waarvan de waarde in het kader van de Wet WOZ is bepaald en vastgesteld, aan de orde wordt gesteld in bezwaar en beroep tegen de belastingaanslag.<footnote-ref linkend="_8bf0d38c-ca6f-4e68-882d-885aacedcb88" /> Daarom kunnen zowel de bij beschikking vastgestelde waarde als de objectafbakening waarop die waardevaststelling is gebaseerd, niet aan de orde worden gesteld in bezwaar en beroep tegen een belastingaanslag in deze rioolheffing.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De Hoge Raad heeft ook de overige de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Proceskosten</title>
    <para>De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para>De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2025.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_ddf2bc9f-aadd-4740-9959-c0cbdc2e7177" label="1">
    <para> ECLI:NL:GHDHA:2024:2336.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8bf0d38c-ca6f-4e68-882d-885aacedcb88" label="2">
    <para> Vgl. Kamerstukken II 1996/97, 25 037, nr. 3, blz. 16-17 en 24.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>