<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2025:1134</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-15T10:05:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/00425</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2023:1215" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1215</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2023:1223" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1223</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSHE:2021:4327" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2021:4327</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2025071122</rdf:li>
          <rdf:li>NDFR Nieuws 2025/1118</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2025/1412</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2025-1413</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2025/1477</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2025/33.17 met annotatie van Redactie</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2025/1285 met annotatie van mr. R. Zeldenrust</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2025/118 met annotatie van W.J. Blokland</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1134">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1134</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-10T14:40:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2025:1134 Hoge Raad , 11-07-2025 / 22/00425</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2025:1134:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; art. 10, leden 1 en 2, Wet bpm (tekst 2015); art. 110 VWEU;  vaststelling vermindering (afschrijving) wegens gebruikte staat van de personenauto; verwerping herleidingsmethode; verwerping tijdsevenredige vermindering naheffingsaanslag in verband met recht op teruggaaf wegens export van de personenauto.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2025:1134:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BELASTINGKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer </emphasis>22/00425 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum	</emphasis>11 juli 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [X] B.V. (hierna: belanghebbende)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de STAAT (DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 december 2021, nrs. BKDH-21/00246 tot en met BKDH-21/00248, BKDH-21/00250 tot en met BKDH-21/00255 en BKDH 21/00996<footnote-ref linkend="_d25a80f4-aded-47b0-9ded-a087b63dd66b" />, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 18/746, BRE 18/7728 tot en met 18/7730, BRE 18/7161, BRE 18/7163 tot en met BRE 18/7165 en BRE 18/7675 tot en met BRE 18/7677) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.<?linebreak?>De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.<?linebreak?>Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.<?linebreak?>De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 22 december 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.<footnote-ref linkend="_fec8580e-c718-4b55-aaba-94c45c396565" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Belanghebbende heeft op 12 augustus 2024 verzocht om de Minister van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep. <?linebreak?>De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het  hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de klachten</title>
    <bridgehead role="italic">Herleidingsmethode </bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>2.1.1</nr>
      <para>Belanghebbende heef in 2015 aangiften voor de bpm gedaan in verband met de registratie van door haar vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebrachte gebruikte personenauto’s. Zij heeft bij het berekenen van de verschuldigde bpm een vermindering als bedoeld in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorijwielen 1992 (tekst 2015; hierna: de Wet) in aanmerking genomen vanwege de gebruikte staat ervan. Zij heeft die vermindering (afschrijving) berekend met behulp van een methode die aansluit bij de wijze waarop volgens artikel 14a van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 8d van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, de teruggaaf van bpm wordt berekend wanneer de tenaamstelling in het Nederlandse kentekenregister van een gebruikt motorvoertuig vervalt in verband met het buiten Nederland brengen van dat voertuig. Het aldus berekende bedrag moet volgens belanghebbende worden aangemerkt als ‘rest-bpm’. Het Hof heeft die door belanghebbende ontworpen methode aangeduid als herleidingsmethode (hierna: de herleidingsmethode). Voor een beschrijving van deze door belanghebbende gehanteerde methode en een rekenvoorbeeld daarvan wordt verwezen naar de onderdelen 3.1 tot en met 3.5 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.2</nr>
      <para>Het Hof heeft geoordeeld dat de herleidingsmethode niet behoort tot de wettelijk toegestane methoden om de in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet bedoelde vermindering aan bpm te berekenen en daarom niet kan worden toegepast. Het Hof heeft verder geoordeeld dat ook artikel 110 VWEU niet noopt om deze methode te aanvaarden, omdat deze methode bij op latere leeftijd ingevoerde auto’s uitgaat van een rekenkundig herleid bedrag dat niet altijd de daadwerkelijk betaalde bpm weergeeft. Dergelijke gegevens kunnen niet worden gebruikt om aan te tonen dat in strijd met artikel 110 VWEU te veel bpm wordt geheven, aldus het Hof.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>De klachten tegen de hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordelen van het Hof falen op de gronden die zijn vermeld in de onderdelen 4.4 tot en met 4.7, 4.11, 4.12, en 4.14 tot en met 4.19 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Tijdsevenredig verminderen van naheffingsaanslagen wegens export</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <paragroup>
        <nr>2.3.1</nr>
        <para>Voor het Hof heeft belanghebbende gesteld, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1779 (hierna: het arrest van 13 november 2020), dat de naheffingsaanslagen ter zake van drie personenauto’s moeten worden verminderd omdat bij het verlenen van teruggaaf van bpm vanwege de export van die personenauto’s geen rekening is gehouden met het nageheven, hogere bedrag aan bpm.  </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.2</nr>
        <para>Het Hof heeft de hiervoor in 2.3.1 bedoelde stelling verworpen. De situatie waarop het arrest van 13 november 2020 ziet, is in deze zaak niet aan de orde, aldus het Hof.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.3</nr>
        <para>De tegen dit oordeel gerichte klachten falen op de gronden zoals vermeld in onderdeel 4.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal in samenhang gelezen met onderdeel 4.25 van haar conclusie in de tussen dezelfde partijen bij de Hoge Raad aanhangige zaak met nummer 22/03099.</para>
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om bij overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 7 februari 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan 12 maanden maar minder dan 18 maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 1.500.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Proceskosten</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard, zodat er geen aanleiding is om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>In de omstandigheid dat aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad tot uitgangspunt dat (i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en (ii) op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 (zeer licht) van toepassing is, zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.<footnote-ref linkend="_0d7ce27a-1107-474e-af28-f65b653854cb" /></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,</para>
      <para>- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 1.500, en</para>
      <para>- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2025.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_d25a80f4-aded-47b0-9ded-a087b63dd66b" label="1">
    <para> ECLI:NL:GHSHE:2021:4327.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fec8580e-c718-4b55-aaba-94c45c396565" label="2">
    <para> ECLI:NL:PHR:2023:1215, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:1223.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0d7ce27a-1107-474e-af28-f65b653854cb" label="3">
    <para> Zie HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>