<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2025:1127</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-03T10:02:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/02417</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHDHA:2024:2791" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:2791</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2025071108</rdf:li>
          <rdf:li>NDFR Nieuws 2025/1111</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2025/1410</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2025-1408</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2025/1181 met annotatie van mr. E.D. Postema</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2025/33.27 met annotatie van Redactie</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2025/1527 met annotatie van Lukas Hendriks</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2025/79 met annotatie van P. van der Wal</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 2025/315 met annotatie van J.M.J.F. Jansen</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2025/105 met annotatie van A.O. Lubbers</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1127">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1127</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-29T14:38:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2025:1127 Hoge Raad , 11-07-2025 / 24/02417</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2025:1127:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Formeel belastingrecht, Artikel 2 lid 3 BPB, artikel 8:75 Awb (Hoofdstuk 8 Titel 8.2 Afdeling 8.2.6 Awb Uitspraak), Afwijken van forfaitaire tarief, afzien van toekenning proceskostenvergoeding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2025:1127:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BELASTINGKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer </emphasis>24/02417 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum	</emphasis>11 juli 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [X] (hierna: belanghebbende)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DEN HAAG</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 mei 2024, nrs. BK-23/300 tot en met BK-23/302, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 21/8305, SGR 21/8308 en SGR 22/385) betreffende aan belanghebbende in rekening gebrachte aanmaningskosten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <para>Belanghebbende, vertegenwoordigd door N.G.A. Voorbach, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Uitgangspunten in cassatie</title>
    <para>Het Hof heeft de invorderingsambtenaar van de gemeente Den Haag veroordeeld in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, die door het Hof zijn gesteld op in totaal € 1.185. Dit bedrag is tot stand gekomen doordat het Hof twee punten heeft toegekend voor de kosten in bezwaar à € 310 (wegingsfactor 0,5) en twee punten voor de kosten in beroep en hoger beroep à € 875 (wegingsfactor 0,5).</para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het middel</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het middel betoogt dat het Hof in het hiervoor in onderdeel 2 vermelde oordeel ten onrechte voor de waarde per punt voor de bezwaarfase is uitgegaan van € 310. Het middel slaagt op de gronden vermeld in rechtsoverwegingen 5.8.1, 5.8.2 en 6.3 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Gelet op hetgeen hiervoor in 3.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>De Hoge Raad stelt de vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar vast op € 647, uitgaande van het door het Hof vastgestelde aantal punten en de door het Hof toegepaste wegingsfactor 0,5 vanwege het gewicht van de zaak, en berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt.<footnote-ref linkend="_94b94c20-812c-4a4d-b18f-a355ed969ef8" /></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Proceskosten</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Over de toekenning door de bestuursrechter van een vergoeding voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, overweegt de Hoge Raad ten overvloede als volgt.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Op grond van artikel 8:75, lid 1, Awb is de bestuursrechter bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter. Het gaat niet alleen erom dat de kosten zelf redelijk moeten zijn, maar ook dat het inroepen van rechtsbijstand redelijk moet zijn.<footnote-ref linkend="_442e5199-ad95-4742-b9ff-0556981c164a" /> Een integrale vergoeding van de kosten die aan deze zogenoemde dubbele redelijkheidstoets voldoen, heeft de wetgever echter niet beoogd.<footnote-ref linkend="_ebc11cc6-228c-4b88-89e4-436a8f7df9cd" /> De proceskostenvergoedingen zijn naar de bedoeling van de wetgever slechts bedoeld als een tegemoetkoming in de werkelijk gemaakte proceskosten.<footnote-ref linkend="_235dc937-28e5-4ad1-ac71-87526ac45a3b" /> De wetgever achtte het verder een te grote werklast voor de bestuursrechter als in ieder individueel geval een beoordeling op grond van de dubbele redelijkheidstoets zou moeten plaatsvinden.<footnote-ref linkend="_2e1d2b2f-1fab-4151-8843-d7e23a241e0e" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Met het oog op deze doelstellingen zijn in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) nadere regels opgenomen over de kosten waarop de veroordeling betrekking kan hebben en de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Ter zake van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn tarieven opgenomen in de bijlage bij het Besluit. Op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit kan de rechter in bijzondere omstandigheden naar boven of naar beneden afwijken van die tarieven, of afzien van toekenning van een proceskostenvergoeding. Daarvoor is niet vereist dat het gaat om een situatie die zich zelden voordoet. Voldoende is dat het omstandigheden betreft die naar hun aard bijzonder zijn. De rechter die toepassing geeft aan artikel 2, lid 3, van het Besluit, dient deze beslissing te motiveren.<footnote-ref linkend="_825f476e-7834-4808-bb6d-ea6bf62e6569" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>Bij zijn beslissing om artikel 2, lid 3, van het Besluit toe te passen kan de rechter in aanmerking nemen dat de vergoedingen op grond van het Besluit, zoals hiervoor in 4.4 vermeld, het karakter hebben van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten.<footnote-ref linkend="_b1b841a9-f60a-4f04-8ac1-71b5fab0fb85" />Ook indien rekening wordt gehouden met de terughoudendheid die bij de toepassing van deze bepaling is geboden, kan de rechter daarom aanleiding vinden tot toepassing daarvan, door toekenning van een lagere vergoeding, indien vasthouden aan het forfaitaire puntensysteem van het Besluit zou leiden tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft.<footnote-ref linkend="_b19cfeae-0d39-404f-be40-4552993a41d2" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>Verder staat het de rechter vrij om met toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit in het geheel geen proceskostenvergoeding toe te kennen indien het inroepen van beroepsmatige rechtsbijstand in de omstandigheden van het geval niet redelijk is. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien het gaat om herstel van een evidente rekenfout die met een eenvoudige melding kan worden hersteld.<footnote-ref linkend="_8bdb9372-604c-4e3c-b36b-a75ebe404a1a" /> Ook kan daarvan sprake zijn indien, zoals in de bezwaarprocedure in dit geval, het geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang. Dat kan anders zijn indien de beslissing die daarover in de voorliggende zaak wordt genomen, ook van belang kan zijn voor de beslissing in andere – al dan niet toekomstige – zaken.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- verklaart het beroep in cassatie gegrond,</para>
      <para>- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar alleen voor zover deze uitspraak betrekking heeft op de vergoeding van de kosten van belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar,</para>
      <para>- veroordeelt de invorderingsambtenaar van de gemeente Den Haag in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 647 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,</para>
      <para>- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138, en</para>
      <para>- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.814 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2025.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_94b94c20-812c-4a4d-b18f-a355ed969ef8" label="1">
    <para> Vgl. HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203, rechtsoverweging 2.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_442e5199-ad95-4742-b9ff-0556981c164a" label="2">
    <para> Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 151 en 153.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ebc11cc6-228c-4b88-89e4-436a8f7df9cd" label="3">
    <para> Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 151-152, en nr. 6, blz. 58.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_235dc937-28e5-4ad1-ac71-87526ac45a3b" label="4">
    <para> Kamerstukken II 1992/93, 22 164, nr. 13, blz. 13. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2e1d2b2f-1fab-4151-8843-d7e23a241e0e" label="5">
    <para> Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 153.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_825f476e-7834-4808-bb6d-ea6bf62e6569" label="6">
    <para> HR 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7913, rechtsoverweging 3.2, en HR 13 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN3865, rechtsoverweging 3.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b1b841a9-f60a-4f04-8ac1-71b5fab0fb85" label="7">
    <para> Vgl. HR 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415, rechtsoverweging 3.5.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b19cfeae-0d39-404f-be40-4552993a41d2" label="8">
    <para> Vgl. HR 25 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2794, rechtsoverweging 2.4.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8bdb9372-604c-4e3c-b36b-a75ebe404a1a" label="9">
    <para> Kamerstukken II 1999/2000, 27 024, nr. 3, blz. 7. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>