<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2024:773</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-02T19:28:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-05-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/00852</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2023:934" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:934</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2023:1064" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1064</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHARL:2022:490" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2022:490</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2024/973</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2024/1382</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2024053101</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2024-1220</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2024:773">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2024:773</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-30T11:33:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2024:773 Hoge Raad , 31-05-2024 / 22/00852</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2024:773:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Awb; art. 8:42; is een begroting een op de zaak betrekking hebbend stuk; wijze waarop stuk in geding moet worden gebracht; volstaat het versturen van een link naar de internetpagina waarop het desbetreffende stuk is te vinden?; ECLI:NL:HR:2024:567.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2024:773:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BELASTINGKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer </emphasis>22/00852 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum	</emphasis>31 mei 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [X] (hierna: belanghebbende)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het BESTUUR VAN HET NOORDELIJK BELASTINGKANTOOR</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 januari 2022, nr. 20/01001<footnote-ref linkend="_66a5064b-8e6c-4141-8d19-c834bc9a3ac8" />, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 20/172 en LEE 20/1770) betreffende van belanghebbende geheven leges.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.M. Vrolijk, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.<?linebreak?>Het bestuur van het Noordelijk Belastingkantoor, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.<?linebreak?>Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.<?linebreak?>Het bestuur van het Noordelijk Belastingkantoor heeft een conclusie van dupliek ingediend.<?linebreak?>De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 10 november 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.<footnote-ref linkend="_f4d94ebd-4305-4652-8f98-f1db8e13129b" /><?linebreak?>Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Belanghebbende heeft op 25 april 2024 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure.<?linebreak?>De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk op dat verzoek gereageerd.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de middelen</title>
    <para>De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/00849, ECLI:NL:HR:2024:567.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure </title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 8 maart 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 500.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Proceskosten</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>In de omstandigheid dat aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.<footnote-ref linkend="_1b85e5fb-e25f-4398-b961-bac0381ea15b" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad tot uitgangspunt dat (i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en (ii) op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 (zeer licht) van toepassing is, zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.<footnote-ref linkend="_e47e8343-0626-4704-8912-5d73d3a15138" /></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,</para>
      <para>- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 500, </para>
      <para>- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136, en</para>
      <para>- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 219 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, J. Wortel, M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_66a5064b-8e6c-4141-8d19-c834bc9a3ac8" label="1">
    <para>ECLI:NL:GHARL:2022:490.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f4d94ebd-4305-4652-8f98-f1db8e13129b" label="2">
    <para> ECLI:NL:PHR:2023:934, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:1064.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1b85e5fb-e25f-4398-b961-bac0381ea15b" label="3">
    <para> Zie HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e47e8343-0626-4704-8912-5d73d3a15138" label="4">
    <para> Zie HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>