<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2024:1536</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T21:37:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/02988</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2024:1136" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1136</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2024/2255</rdf:li>
          <rdf:li>BPR-Updates.nl 2024-0086</rdf:li>
          <rdf:li>Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2024-0086</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2024/328</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2024/1016</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2024:1536">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2024:1536</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-25T16:16:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2024:1536 Hoge Raad , 25-10-2024 / 24/02988</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2024:1536:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Caribische zaak. Personen- en familierecht. Procesrecht. Art. 1 lid 1 Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad. Art. 426 lid 4 Rv. Art. 401a lid 2 Rv. Tussenbeschikking. Niet-ontvankelijkheid in cassatie.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2024:1536:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>CIVIELE KAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	24/02988</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>	25 oktober 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>BESCHIKKING</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [de man],</para>
      <para>wonende in Turkije en in Belarus,</para>
      <para>VERZOEKER tot cassatie,</para>
      <para>hierna: de man,</para>
      <para>advocaat: N.C. van Steijn,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [de vrouw],</para>
      <para>wonende in [woonplaats],</para>
      <para>VERWEERSTER in cassatie,</para>
      <para>hierna: de vrouw,</para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop</title>
    <parablock>
      <para>Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: </para>
      <para>a. de beschikking in de zaak SXM201100032 van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 5 december 2022;</para>
      <para>b. de beschikkingen in de zaak SXM201100032-SXM2023H00058 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 9 mei 2023 en 15 mei 2024.</para>
      <para>De man heeft tegen de beschikking van het hof van 15 mei 2024 beroep in cassatie ingesteld.</para>
      <para>De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot niet-ontvankelijkheid van verzoeker in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.</para>
      <para>De advocaat van de man heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Uitgangspunten en feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.</para>
        <para>(i) Partijen zijn in 2004 op Sint Maarten met elkaar gehuwd. Beide partijen hebben (in ieder geval) de Turkse nationaliteit.</para>
        <para>(ii) In 2012 is in Turkije op verzoek van de man de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze uitspraak is in het bevolkingsregister van Sint Maarten ingeschreven. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De vrouw heeft in 2011 bij het gerecht een verzoek tot scheiding van tafel en bed ingediend en dit verzoek in 2013 gewijzigd in een verzoek tot echtscheiding. De man heeft aangevoerd dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek tot echtscheiding omdat partijen in Turkije zijn gescheiden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Het gerecht heeft bij beschikking van 5 december 2022 de vrouw ontvankelijk verklaard in haar verzoek, een comparitie van partijen gelast en iedere verdere beslissing aangehouden. Het hof heeft aan de man vergunning verleend om tussentijds hoger beroep in te stellen van de beschikking van het gerecht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>De man heeft van de beschikking van het gerecht hoger beroep ingesteld. Het hof<footnote-ref linkend="_59547020-9f36-44b9-b79f-a9e672a47623" /> heeft de beschikking bevestigd en de zaak teruggewezen naar het gerecht ter verdere behandeling en beslissing. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van de ontvankelijkheid</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Ingevolge art. 1 lid 1 Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba neemt de Hoge Raad ten aanzien van burgerlijke en strafzaken in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, voor zover in deze Rijkswet niet anders is bepaald, in overeenkomstige gevallen, op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige rechtsgevolgen als ten aanzien van burgerlijke en strafzaken in het Europese deel van het Koninkrijk, kennis van een beroep in cassatie. Dit betekent onder meer dat de art. 401a en 426 lid 4 Rv van toepassing zijn op een cassatieberoep in een burgerlijke zaak uit het Caribische deel van het Koninkrijk.<footnote-ref linkend="_987c4eee-caa9-4f5c-9585-951cc501ab37" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>De beschikking van het gerecht is een tussenbeschikking nu daarin niet door een uitdrukkelijk dictum voor enig deel van het verzochte een einde is gemaakt aan het geding. Het hof heeft de beschikking van het gerecht bevestigd. De beschikking van het hof is daarom ook een tussenbeschikking.<footnote-ref linkend="_bfd2cf45-8bc2-484a-9c2c-de03d17199af" /> Ingevolge art. 426 lid 4 Rv in verbinding met art. 401a lid 2 Rv kan beroep in cassatie van deze tussenbeschikking slechts worden ingesteld tegelijk met dat van de eindbeschikking, aangezien het hof niet anders heeft bepaald en de andere in art. 401a Rv vermelde uitzonderingen evenmin van toepassing zijn. Voor ontvankelijkheid in het cassatieberoep is niet voldoende dat het hof vergunning heeft verleend om hoger beroep in te stellen van de beschikking van het gerecht.<footnote-ref linkend="_599b8271-ad8b-4c38-8d42-b98aae26a7c7" /> De man is daarom niet ontvankelijk in zijn cassatieberoep. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para>De Hoge Raad verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn beroep.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op <emphasis role="underline">25 oktober 2024</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_59547020-9f36-44b9-b79f-a9e672a47623" label="1">
    <para> Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 15 mei 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:51.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_987c4eee-caa9-4f5c-9585-951cc501ab37" label="2">
    <para> Zie ook Kamerstukken II 2009/10, 32186, nr. 7, p. 6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bfd2cf45-8bc2-484a-9c2c-de03d17199af" label="3">
    <para> HR 12 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:224, rov. 3.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_599b8271-ad8b-4c38-8d42-b98aae26a7c7" label="4">
    <para> Vgl. HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2306, rov. 3.2.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>