<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2024:1476</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T02:15:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/03850</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2024:840" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:840</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHAMS:2023:1559" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2023:1559</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2024/2144</rdf:li>
          <rdf:li>BPR-Updates.nl 2024-0085</rdf:li>
          <rdf:li>Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2024-0085</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2024/970</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2024/316</rdf:li>
          <rdf:li>NTHR 2024/74, 237</rdf:li>
          <rdf:li>RBP 2024/98</rdf:li>
          <rdf:li>JBPr 2025/3 met annotatie van mr. dr. T. van Malssen</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2024:1476">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2024:1476</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-17T16:28:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2024:1476 Hoge Raad , 18-10-2024 / 23/03850</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2024:1476:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Verbintenissenrecht. Financieel recht. Renteswaps. Klachten tegen oordeel hof dat bank zorgplicht niet heeft geschonden verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO. </para>
        <para>Procesrecht. Art. 90 Rv. Partij die overweegt rechtsmiddel in te stellen heeft recht op proces-verbaal. Aan verzoek tot afgifte moet onverwijld worden voldaan.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2024:1476:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>CIVIELE KAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	23/03850</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>	18 oktober 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. [eiseres 1] B.V.,</para>
    <para> 	gevestigd te [vestigingsplaats],</para>
    <para>2. [eiseres 2] B.V.,</para>
    <para> 	gevestigd te [vestigingsplaats],</para>
    <para>3. [eiseres 3] B.V.,</para>
    <parablock>
      <para> 	gevestigd te [vestigingsplaats],</para>
      <para>EISERESSEN tot cassatie,</para>
      <para>hierna gezamenlijk: [eiseressen],</para>
      <para>advocaat: J.H.M. van Swaaij, aanvankelijk ook J.M. Moorman,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,</para>
      <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>VERWEERSTER in cassatie,</para>
      <para>hierna: Rabobank,</para>
      <para>advocaten: F.E. Vermeulen en B.L.F.M. Schim.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop</title>
    <parablock>
      <para>Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: </para>
      <para>a. de vonnissen in de zaak C/13/663785 / HA ZA 19-334 van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2019 en 13 mei 2020;</para>
      <para>b. de arresten in de zaak 200.280.259/01 van het gerechtshof Amsterdam van 20 april 2021 en 4 juli 2023.</para>
      <para>
        [eiseressen] hebben tegen het arrest van het hof van 4 juli 2023 beroep in cassatie ingesteld. Ook hebben [eiseressen] een aanvullende procesinleiding ingediend.</para>
      <para>Rabobank heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.</para>
      <para>De zaak is voor Rabobank toegelicht door hun advocaat F.E. Vermeulen en mede door      L.M. Münchow en T.A. van Polanen.</para>
      <para>De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot verwerping van het cassatieberoep. </para>
      <para>De advocaat van [eiseressen] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het middel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>De klachten van de onderdelen 1 tot en met 8 van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Onderdeel 9 klaagt dat het hof heeft miskend dat onverwijld moet worden voldaan aan een verzoek tot afgifte van een proces-verbaal door een advocaat die verklaart daaraan behoefte te hebben omdat wordt overwogen om een rechtsmiddel in te stellen. Ook deze klacht kan niet tot cassatie leiden (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.67). De klacht geeft wel aanleiding om het volgende te overwegen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Art. 90 lid 1, aanhef en onder a, Rv bepaalt dat de rechter van de mondelinge behandeling proces-verbaal opmaakt indien hij dit ambtshalve of op verzoek van een partij die daarbij belang heeft, bepaalt. Art. 90 lid 6 Rv bepaalt dat de griffier zo spoedig mogelijk een afschrift van het proces-verbaal aan de eiser en de in het geding verschenen gedaagde verstrekt. Deze voorschriften strekken er onder meer toe dat een partij de inhoud van een proces-verbaal kan betrekken bij haar beslissing of, en zo ja op welke gronden, zij een rechtsmiddel zal instellen.<footnote-ref linkend="_18aab0de-7dbc-4d46-bfc8-00bdf50be193" /> Een partij die verzoekt om afgifte van een proces-verbaal omdat zij overweegt een rechtsmiddel in te stellen, moet geacht worden bij het opmaken van het proces-verbaal belang te hebben, en heeft er recht op dat het proces-verbaal zo spoedig mogelijk wordt verstrekt. Aan zo’n verzoek moet dan ook onverwijld worden voldaan. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- verwerpt het beroep;</para>
      <para>- veroordeelt [eiseressen] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Rabobank begroot op € 14.229,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.J.P. Lock, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op <emphasis role="underline">18 oktober 2024</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_18aab0de-7dbc-4d46-bfc8-00bdf50be193" label="1">
    <para> Vgl. HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:413, rov. 3.5.2.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>