<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2024:1218</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T07:27:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/01430</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2024:651" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:651</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHAMS:2022:3942" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#overig">In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2022:3942, Overig</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2024-0218</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2024/925</rdf:li>
          <rdf:li>NTS 2024/40</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2024:1218">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2024:1218</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-09-30T14:36:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2024:1218 Hoge Raad , 01-10-2024 / 22/01430</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2024:1218:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Witwassen van contante geldbedragen van € 100.000 en € 107.000 (art. 420bis.1.b Sr). Ontslag van alle rechtsvervolging in eerste aanleg t.a.v. geldbedrag van € 100.000. Bewijsklacht geldbedrag van € 107.000. Is geldbedrag afkomstig uit enig misdrijf? </para>
        <para>HR: V.zv. middel klaagt dat ’s hofs oordeel dat verklaringen van verdachte dat hij (i) op 01-01-2013 (aanvangsdatum kasopstelling) € 18.700 in kas had, (ii) van vader € 10.030 contant heeft ontvangen als terugbetaling van lening en (iii) van schoonvader driemaal € 5.000 als schenking heeft ontvangen, ‘weinig concreet en amper verifieerbaar’ zijn, onvoldoende is gemotiveerd, slaagt het om redenen vermeld in CAG. CAG: Hof heeft geen aparte overweging gewijd aan deze verklaringen maar meer algemeen overwogen dat verdachte ‘enkele weinig concrete en amper verifieerbare verklaringen heeft gegeven voor herkomst van geldbedrag van € 107.000 die niet aannemelijk zijn c.q. hoogst onwaarschijnlijk worden geacht’. V.zv. deze passage niet slechts samenvatting is van ’s hofs voorgaande overwegingen, waarin geen aandacht is besteed aan die verklaringen, ontbreekt een motivering voor dit oordeel. Zonder deze motivering is ’s hofs oordeel niet begrijpelijk. Van deze verklaringen kan niet zonder meer worden gezegd dat zij niet concreet zijn of geen aanknopingspunten bieden voor verificatie. </para>
        <para>Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2024:1218:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer </emphasis>22/01430 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum	</emphasis>1 oktober 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 april 2022, nummer 23-003674-17, in de strafzaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] ,</para>
      <para>geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. </para>
      <para>De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het als tweede impliciet cumulatief ten laste gelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam om aldaar in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en tot verwerping van het beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het eerste cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het cassatiemiddel klaagt in het licht van een gevoerd verweer over de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde witwassen, voor zover het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte een geldbedrag van € 107.000 voorhanden heeft gehad dat ‘afkomstig was uit enig misdrijf’.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Voor zover het cassatiemiddel klaagt dat het oordeel van het hof dat de verklaringen van de verdachte dat hij (i) op 1 januari 2013 (de aanvangsdatum van de kasopstelling) € 18.700 in kas had, (ii) van zijn vader € 10.030 contant heeft ontvangen als terugbetaling van een lening en (iii) van zijn schoonvader driemaal € 5.000 als een schenking heeft ontvangen, “weinig concreet en amper verifieerbaar” zijn, onvoldoende is gemotiveerd, slaagt het. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.8 (waarbij de Hoge Raad onder 2.6 “30 september 2021” leest als “30 maart 2022”), 2.19 tot en met 2.22 en 2.24. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van de overige cassatiemiddelen</title>
    <parablock>
      <para>De beoordeling door de Hoge Raad van het tweede en het derde cassatiemiddel heeft als uitkomst dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).</para>
      <para>Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het vierde en het vijfde cassatiemiddel niet nodig.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde ten aanzien van “een geldbedrag van ongeveer EUR 107.000,-, althans een geldbedrag in een gele doos” en de strafoplegging;</para>
      <para>- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;</para>
      <para>- verwerpt het beroep voor het overige.</para>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">1 oktober 2024</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>