<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2022:682</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T17:32:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-05-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/02879</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2022:239" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:239</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHAMS:2020:4109" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#overig">In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2020:4109, Overig</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2022-0097</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2022/1141</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2022/506</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:682">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:682</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-10T17:34:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2022:682 Hoge Raad , 10-05-2022 / 20/02879</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2022:682:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Mishandeling echtgenoot, art. 300.1 jo. 304.1.1 Sr. Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld, art. 408.1.b Sv. Betekening oproeping nadere tz. in h.b. Oproeping geldig betekend, nu akte van uitreiking in het ongerede is geraakt, en belang bij cassatie gelet op bericht raadsvrouw? O.g.v. art. 319.2 jo. 415.1 Sv diende verdachte voor nadere tz. te worden opgeroepen. Bij de aan HR gezonden stukken bevindt zich niet de akte van uitreiking behorende bij oproeping voor die tz. Bij die stukken bevindt zich wel een brief van het hof die inhoudt dat akte van uitreiking van betreffende oproeping in het ongerede is geraakt. Dat brengt mee dat het in cassatie ervoor moet worden gehouden dat deze oproeping niet op de bij wet voorgeschreven wijze is betekend. Dit verzuim moet leiden tot nietigverklaring van betekening van oproeping in h.b. De enkele omstandigheid dat raadsvrouw het hof voorafgaand aan nadere tz. heeft bericht dat zij verdachte op de hoogte heeft gebracht van haar voornemen om niet ttz. te verschijnen en dat verdachte alsnog zelf op zitting wenst te verschijnen, brengt niet met zich dat deze nietigheid voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR:2011:BO4064). Uit bericht van raadsvrouw blijkt immers niet dat zij verdachte heeft geïnformeerd over plaats alsmede dag en tijdstip van nadere tz. en dat die informatie hem ook heeft bereikt. Uit de stukken blijkt ook niet anderszins van omstandigheden op grond waarvan hof, alvorens verstek te verlenen aan niet verschenen verdachte, met voldoende zekerheid heeft kunnen aannemen dat verdachte van een en ander op de hoogte was. </para>
        <para>HR verklaart betekening oproeping nadere tz. in h.b. nietig. CAG: anders t.a.v. belang bij cassatie.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2022:682:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	20/02879 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>		10 mei 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 18 augustus 2020, nummer 23-004274-19, in de strafzaak </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte], </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Grijsen, advocaat te Almere, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.</para>
      <para>De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.</para>
      <para>Namens de verdachte heeft D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, daarop schriftelijk gereageerd.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het eerste cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat de oproeping voor de zitting in hoger beroep van 18 augustus 2020 geldig is betekend (uitgereikt).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>Het procesverloop in deze zaak is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4. De daar weergegeven stukken houden onder meer in dat:</para>
        <para>- de dagvaarding voor de eerste terechtzitting in hoger beroep van 4 augustus 2020 aan de verdachte in persoon is betekend; </para>
        <para>- op die terechtzitting de verdachte noch zijn raadsvrouw zijn verschenen en dat – naar aanleiding van voorafgaand overleg met de raadsvrouw van de verdachte – het hof het onderzoek ter terechtzitting heeft geschorst tot de terechtzitting van 18 augustus 2020 te 9.00 uur;</para>
        <para>- voorafgaand aan die behandeling van de zaak de raadsvrouw op 17 augustus 2020 aan het hof heeft bericht zelf niet op de terechtzitting van 18 augustus 2020 te zullen verschijnen. Dit bericht houdt verder het volgende in:</para>
        <para>“Na bestudering van de stukken heb ik geconcludeerd dat mijn aanwezigheid geen meerwaarde heeft nu het hoger beroep ver buiten de daarvoor gestelde termijn werd ingesteld. Cliënt heb ik hiervan op de hoogte gebracht en wenst alsnog zelf wel ter zitting te verschijnen.”</para>
        <para>- de verdachte en zijn raadsvrouw niet zijn verschenen op de terechtzitting van 18 augustus 2020;</para>
        <para>- het hof op die terechtzitting verstek heeft verleend tegen de verdachte en direct uitspraak heeft gedaan, waarbij het hof de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep omdat – kort gezegd – het hoger beroep te laat is ingesteld.</para>
      </parablock>
      <paragroup>
        <nr>2.3.1</nr>
        <para>Op grond van artikel 319 lid 2 in verbinding met artikel 415 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering diende de verdachte voor de nadere terechtzitting van 18 augustus 2020 te worden opgeroepen. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich niet de akte van uitreiking behorende bij de oproeping voor die terechtzitting. Bij die stukken bevindt zich wel een brief van het hof van 8 februari 2022. Die brief houdt in dat de akte van uitreiking van de betreffende oproeping in het ongerede is geraakt. Dat brengt mee dat het in cassatie ervoor moet worden gehouden dat deze oproeping niet op de bij de wet voorgeschreven wijze is betekend (uitgereikt). Het cassatiemiddel is dus in zoverre terecht voorgesteld.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.2</nr>
        <para>Dit verzuim moet leiden tot nietigverklaring van de betekening van de oproeping in hoger beroep. De enkele omstandigheid dat de raadsvrouw het hof voorafgaand aan de terechtzitting van 18 augustus 2020 heeft bericht dat zij de verdachte op de hoogte heeft gebracht van haar voornemen om niet op de terechtzitting te verschijnen en dat de verdachte alsnog zelf op de zitting wenst te verschijnen, brengt niet met zich dat deze nietigheid voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4064, rechtsoverweging 2.4). Uit het bericht van de raadsvrouw blijkt immers niet dat zij de verdachte heeft geïnformeerd over de plaats alsmede de dag en het tijdstip van de terechtzitting van 18 augustus 2020 en dat die informatie hem ook heeft bereikt. Uit de stukken blijkt ook niet anderszins van omstandigheden op grond waarvan het hof, alvorens verstek te verlenen aan de niet verschenen verdachte, met voldoende zekerheid heeft kunnen aannemen dat de verdachte van een en ander op de hoogte was.</para>
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige</title>
    <para>Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de cassatiemiddelen voor het overige niet nodig. </para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- vernietigt de uitspraak van het hof;</para>
      <para>- verklaart de betekening van de oproeping in hoger beroep nietig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">10 mei 2022</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>