<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2022:681</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T17:55:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-05-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/03138</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2022:240" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:240</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2022-0095</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2022/1142</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2022/189</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2022/503</rdf:li>
          <rdf:li>M en R 2022/78 met annotatie van W.Th. Douma, J.L.J. Halbertsma</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:681">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:681</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-09T14:58:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2022:681 Hoge Raad , 10-05-2022 / 20/03138</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2022:681:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Beklag, beslag ex art. 94 Sv op partijen teakhout uit Myanmar t.z.v. verdenking van illegale invoer van teakhout in strijd met art. 4 Europese Houtverordening, witwassen en deelname aan criminele organisatie. Absolute competentie, bevoegdheid economische raadkamer. Was gewone raadkamer bevoegd kennis te nemen van klaagschrift, nu klaagster wordt verdacht van o.a. economisch delict? Art. 38.1 WED bepaalt dat economische delicten worden behandeld en beslist door economische kamers van Rb. O.g.v. art. 39.1 WED behandelen en beslissen economische kamers ook zaken betreffende strafbare feiten die geen economische delicten zijn, indien Rb bevoegd is tot kennisneming van die strafbare feiten en die strafbare feiten zijn begaan in samenhang met een of meer economische delicten, en die strafbare feiten ten laste zijn gelegd samen met een of meer van die economische delicten. Berechting door andere dan economische kamer is o.g.v. art. 39.2 WED mogelijk indien economische delicten zijn begaan in samenhang met een of meer strafbare feiten, niet zijnde economische delicten waarvan Rb bevoegd is kennis te nemen en die economische delicten ten laste zijn gelegd samen met een of meer van die andere strafbare feiten. Gelet op deze wettelijke systematiek moet worden aangenomen dat, in geval dat verdenking bestaat dat economische delicten en niet-economische delicten in samenhang met elkaar zijn begaan, zowel een economische raadkamer als niet-economische raadkamer kan optreden als raadkamer. P-v van behandeling klaagschrift en beschikking Rb houden niet in dat behandeling is gedaan en beslissing is gegeven door economische raadkamer. Gelet op verdenkingen was echter ook niet-economische raadkamer bevoegd om klaagschrift te behandelen en daarop te beslissen. </para>
        <para>Volgt verwerping.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2022:681:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	20/03138 B</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>		10 mei 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>BESCHIKKING</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 september 2020, nummer RK 20/3074, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>door</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [klaagster], </para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats]</para>
      <para>hierna: de klaagster.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft J.J. Bussink, advocaat te ’sGravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.</para>
      <para>A.J.C. Perdaems en M. Coenen, advocaten te Breda, hebben namens de klaagster daarop schriftelijk gereageerd.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het derde cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het cassatiemiddel klaagt dat het klaagschrift ten onrechte niet is behandeld en beslist door de economische raadkamer van de rechtbank. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Uit de stukken blijkt dat de klaagster wordt verdacht van a) het invoeren van teakhout in strijd met artikel 4.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming in verbinding met artikel 4.1 lid 1, aanhef en onder b, van de Regeling Natuurbescherming en artikel 4 van Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen, b) witwassen en c) deelneming aan een criminele organisatie. <?linebreak?>Overtreding van het onder a) genoemde artikel 4.8 lid 1 Wet Natuurbescherming is op grond van artikel 1a, aanhef en onder 1°, van de Wet op de economische delicten (hierna: WED) een economisch delict. <?linebreak?>De onder b) en c) genoemde delicten zijn strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht.</para>
      <paragroup>
        <nr>2.3.1</nr>
        <para>Artikel 38 lid 1, tweede volzin, WED bepaalt dat economische delicten worden behandeld en beslist door de economische kamers van de rechtbank. Op grond van artikel 39 lid 1 WED behandelen en beslissen deze economische kamers van de rechtbank ook zaken betreffende strafbare feiten die geen economische delicten zijn, indien de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van die strafbare feiten en die strafbare feiten zijn begaan in samenhang met een of meer economische delicten, en die strafbare feiten ten laste zijn gelegd samen met een of meer van die economische delicten. Berechting door een andere dan de economische kamer is op grond van artikel 39 lid 2 WED mogelijk indien economische delicten zijn begaan in samenhang met een of meer strafbare feiten, niet zijnde economische delicten waarvan de rechtbank bevoegd is kennis te nemen en die economische delicten ten laste zijn gelegd samen met een of meer van die andere strafbare feiten. </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.2</nr>
        <para>Gelet op de onder 2.3.1 weergegeven wettelijke systematiek moet worden aangenomen dat, in het geval dat een verdenking bestaat dat economische delicten en niet-economische delicten in samenhang met elkaar zijn begaan, zowel een economische raadkamer als een niet-economische raadkamer kan optreden als raadkamer. </para>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift en de beschikking van de rechtbank houden niet in dat de behandeling is gedaan en de beslissing is gegeven door de economische raadkamer. Gelet op de onder 2.2 weergegeven verdenkingen was echter ook de niet-economische raadkamer bevoegd om het klaagschrift te behandelen en daarop te beslissen. De klacht van het cassatiemiddel stuit daarop af.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het eerste en tweede cassatiemiddel </title>
    <para>De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para>	De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">10 mei 2022</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>