<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2022:62</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T22:13:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-01-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/04412</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2021:1153" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1153, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2022/296</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2022/146</rdf:li>
          <rdf:li>JGz 2022/9 met annotatie van Groen, J.F.</rdf:li>
          <rdf:li>FJR 2023/5.9</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:62">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:62</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-21T12:07:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2022:62 Hoge Raad , 21-01-2022 / 21/04412</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2022:62:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wvggz. Zorgmachtiging. Medische verklaring niet ondertekend. Mocht rechtbank zorgmachtiging verlenen? HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1143.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2022:62:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para> HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>CIVIELE KAMER</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	21/04412</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Datum   </emphasis>	21 januari 2022</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BESCHIKKING</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>In de zaak van</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [betrokkene] ,<?linebreak?>verblijvende te [verblijfplaats] , </para>
    <para>VERZOEKER tot cassatie,</para>
    <para>hierna: betrokkene,</para>
    <para>advocaat: M.A.M. Wagemakers,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>tegen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT OOST-BRABANT,</para>
    <para>VERWEERDER in cassatie,</para>
    <para>hierna: de officier van justitie,</para>
    <para>niet verschenen.</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">1.	Procesverloop</emphasis>
    </para>
    <para>Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/01/372638 / FA RK 21-3148 van de rechtbank Oost-Brabant van 26 juli 2021. </para>
    <para>Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. </para>
    <para>De procesinleiding is aan deze beschikking gehecht. </para>
    <para>De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.</para>
    <para>De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot vernietiging van de beschikking van 26 juli 2021 van de rechtbank Oost-Brabant en tot terugwijzing naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Uitgangspunten en feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.</para>
        <para>(i) Op 5 februari 2021 heeft de rechtbank Oost-Brabant op de voet van art. 2.3 lid 1 Wet forensische zorg in verbinding met art. 6:5, aanhef en onderdeel a, Wvggz, voor betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 5 augustus 2021. </para>
        <para>(ii) Bij verzoekschrift van 8 juli 2021 heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om een aansluitende zorgmachtiging op grond van de Wvggz te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van twaalf maanden. </para>
        <para>(iii) Bij het verzoekschrift was onder meer gevoegd een medische verklaring van een onafhankelijke psychiater als bedoeld in art. 5:17 lid 3, aanhef en onder a, Wvggz in verbinding met art. 5:7 e.v. Wvggz. Deze medische verklaring van de psychiater P. Boksan, gedateerd 24 juni 2021, is niet ondertekend. </para>
        <para>(iv) Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling vermeldt onder meer het volgende: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para> “<emphasis role="italic">OvJ </emphasis></para>
        <para>De medische verklaring moet ondertekend zijn, maar is hier niet het geval. Kan de psychiater iets zeggen over de authenticiteit van de MV?</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Psychiater</emphasis> [waarmee wordt gedoeld op de geneesheer-directeur/psychiater [betrokkene 1] , HR] </para>
        <para>Deze is authentiek en de onafhankelijk psychiater kende betrokkene niet.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de zorgmachtiging verleend zoals verzocht. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het middel</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat de rechtbank een zorgmachtiging heeft verleend, nu vaststaat dat de medische verklaring van de onafhankelijke psychiater niet is ondertekend. Aldus heeft de rechtbank volgens het onderdeel art. 5 lid 1, onder e, EVRM en art. 5:8 lid 1 Wvggz geschonden. Een dergelijk vormverzuim kan niet worden geheeld doordat de geneesheer-directeur/psychiater ter zitting bevestigt dat de medische verklaring “authentiek” is en dat de onafhankelijke psychiater betrokkene niet kent, aldus het onderdeel. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Een medische verklaring die door een onafhankelijke psychiater is opgesteld ten behoeve van het verzoek tot verlening van een machtiging in het kader van de Wvggz, moet worden ondertekend door deze psychiater.<footnote-ref linkend="_83570f83-2f41-4b50-a667-ac821046a32a" /> Aldus is voor een ieder duidelijk dat de onafhankelijke psychiater de inhoud van de medische verklaring voor zijn rekening neemt. Het ontbreken van de handtekening van de onafhankelijke psychiater kan niet worden geheeld door uitlatingen van de geneesheer-directeur.<footnote-ref linkend="_4d46a91e-e2c4-40ac-b7e4-d88e4c0ca868" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>In deze zaak staat vast dat de medische verklaring die bij het verzoekschrift was gevoegd, niet is ondertekend. Gelet hierop mocht de rechtbank niet op basis van deze medische verklaring een zorgmachtiging verlenen. Dat betekent dat de hiervoor in 3.1 vermelde klacht slaagt.  <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling. <?linebreak?></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:
</para>
      <para>-	 vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 26 juli 2021;</para>
      <para>- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op <emphasis role="underline">21 januari 2022</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_83570f83-2f41-4b50-a667-ac821046a32a" label="1">
    <para> HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1143, rov. 3.3. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4d46a91e-e2c4-40ac-b7e4-d88e4c0ca868" label="2">
    <para> Vgl. HR 10 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1232. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>