<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2022:470</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T22:01:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/00367</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2022:118" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:118</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHAMS:2021:261" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2021:261</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2022-0074</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2022/381</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:470">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:470</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-29T11:41:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2022:470 Hoge Raad , 29-03-2022 / 21/00367</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2022:470:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Rijden terwijl verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9.2 WVW 1994. Bewijsklacht. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat besluit CBR tot ongeldigverklaring van rijbewijs van verdachte aan hem bekend is gemaakt? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1146 m.b.t. vereisten om tot bewezenverklaring van een op art. 9.2 WVW 1994 toegesneden tll. te kunnen komen. Gelet daarop is bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd. </para>
        <para>Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2022:470:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	21/00367 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>		29 maart 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 januari 2021, nummer 23-001113-20, in de strafzaak </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] , </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben T.P.A.M. Wouters en R.I. Takens, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend ten aanzien van feit 2 en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het eerste cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde ontoereikend is gemotiveerd nu uit de bewijsvoering van het hof niet zonder meer kan worden afgeleid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte aan hem is toegezonden en door hem is ontvangen.</para>
      <paragroup>
        <nr>2.2.1</nr>
        <parablock>
          <para>Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:</para>
          <para>“hij op 24 april 2018 te IJmuiden, gemeente Velsen terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Orionweg, als bestuurder een motorrijtuig, (Personenauto), van die categorie heeft bestuurd.”</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.2</nr>
        <parablock>
          <para>Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:</para>
          <para>“3. Een proces-verbaal ter zake ZSM artikel 9 WVW met nummer 240420180100226168 van 24 april 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één van hen:<?linebreak?>Datum feit: 		24-04-2018</para>
          <para>Tijdstip zien besturen: 	01:00</para>
          <para>Weg/locatie: 		Orionweg</para>
          <para>Plaats: 			IJmuiden</para>
          <para>Gemeente: 		Velsen</para>
          <para>Voor het openbaar verkeer openstaande weg<?linebreak?>Ik zag dat op genoemde dag, datum, tijdstip en plaats als bestuurder reed op genoemde weg:<?linebreak?>Naam:			[verdachte]</para>
          <para>Voornaam:			[verdachte]</para>
          <para>Geboren op:		[geboortedatum] -1974 te [geboorteplaats]</para>
          <para>Motorrijtuig: personenauto<?linebreak?>Ter controle op de juiste naleving van de bij- of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gegeven voorschriften heb ik het motorrijtuig doen stilhouden en een onderzoek ingesteld.</para>
          <para>Voor het besturen van bovenstaand motorrijtuig is een rijbewijs vereist van de categorie B. Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen ongeldig is verklaard. Bijgevoegd is een uitdraai van het BVI-IB.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>4. Een geschrift, zijnde als bijlage bij voornoemd proces-verbaal gevoegde BVI-IB uitdraai, inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:<?linebreak?>Print datum: 		24-04-2018</para>
          <para>Identiteit: 			[verdachte] <?linebreak?>				Geboren [geboorteplaats] -1974 te [geboortedatum] <?linebreak?>MAATREGELEN <?linebreak?>Registratie: 10-12-2002 	vorderingsprocedure 	Cbr Divisie Vorderingen </para>
          <para>NL-RDW</para>
          <para>Vorderingsprocedure<?linebreak?>Autoriteit			Cbr Divisie Vorderingen</para>
          <para>Registratie 		10-12-2002</para>
          <para>Ingeleverd bij 		Cbr Divisie Vorderingen</para>
          <para>CBR dossiernummer 	2002009654</para>
          <para>Ingang ongeldigverklaring 	10-12-2002</para>
          <para>Reden ongeldigverklaring	geschikt </para>
          <para>Feitelijke inleverdatum ongeldig 13-03-2015 <?linebreak?></para>
          <para>5. Een geschrift, te weten een e-mailbericht van 14 september 2015, inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:<?linebreak?>Van: 		Aanvragen parketstukken &lt; Aanvragen.parketstukken@cbr.nl &gt;</para>
          <para>Verzonden: 	maandag 14 september 2015 15:11</para>
          <para>Aan: 		[betrokkene 1] (AP Oost-Brabant)</para>
          <para>Onderwerp: 	RE: Brief CBR artikel 9 lid 2 (mail).doc 		15.186442.15</para>
          <para>Het rijbewijs van betrokkene is ongeldig verklaard door het niet verschijnen bij een onderzoek medisch.</para>
          <para>De brief is niet retour gekomen.<?linebreak?></para>
          <para>6. Een geschrift, te weten een “Uittreksel Justitiële Documentatie” gedateerd 19 januari 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:<?linebreak?>Recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten</para>
          <para>Datum beslissing 	30 mei 2017 Politierechter in de rechtbank Noord-Holland</para>
          <para>Feit 2 		art. 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994</para>
          <para>Kwalificatie 	overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994</para>
          <para>Pleegdatum 	29 januari 2017 te Driehuis</para>
          <para>Status 		Onherroepelijk 14 juni 2017</para>
          <para>Feit 1, 2 		140 uren Taakstraf subsidiair 70 Dagen hechtenis</para>
          <para>			Executie:  21 juni 2017 – 24 mei 2018. Voldaan<?linebreak?></para>
          <para>Volledig afgedane zaken betreffende misdrijven</para>
          <para>Datum beslissing 	28 januari 2016 Politierechter in de rechtbank Noord-Holland<?linebreak?>Feit 2  		art. 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994</para>
          <para>Kwalificatie  	overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994</para>
          <para>Pleegdatum 	23 april 2014 te Santpoort-Noord</para>
          <para>Status  		Onherroepelijk 28 januari 2016</para>
          <para>Feit 1, 2 		2 Weken Gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 Jaren</para>
          <para>			Start- en einddatum proeftijd:</para>
          <para>			11 februari 2016 – 14 juni 2017 </para>
          <para>			Afloop TUL.”</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.3</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:</para>
          <para>“De raadsman heeft vrijspraak verzocht van het onder 2 ten laste gelegde feit. </para>
          <para>De raadsman heeft zich daarbij primair op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de vereisten die de Hoge Raad aan de bewijsvoering stelt, omdat volgens hem op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het besluit tot ongeldigverklaring is genomen noch dat dit op de juiste wijze aan de verdachte kenbaar is gemaakt. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het e-mailbericht van het CBR waarin melding wordt gemaakt van het feit dat ‘de brief niet retour is gekomen’, niet duidelijk maakt op welke brief wordt gedoeld en wat in deze brief heeft gestaan en bovendien niet blijkt dat, wanneer en op welke wijze verzending van de mededeling heeft plaatsgevonden. Ook de omstandigheid dat de verdachte eerder wegens overtreding van artikel 9, tweede lid, Sv (de Hoge Raad begrijpt: Wegenverkeerswet 1994) is veroordeeld, kan volgens de raadsman niet bijdragen aan het vereiste dat het besluit op juiste wijze is bekend gemaakt. </para>
          <para>Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De raadsman acht de mededeling van het CBR dat ‘de brief niet retour is gekomen’ en de omstandigheid dat de verdachte eerder is veroordeeld wegens overtreding van artikel 9, tweede lid, Sv (de Hoge Raad begrijpt: Wegenverkeerswet 1994), daartoe niet toereikend. </para>
          <para>Het hof overweegt als volgt. Uit het CBR register volgt dat het rijbewijs van de verdachte sinds 2002 ongeldig is verklaard. Dat de verdachte wist van deze ongeldigverklaring blijkt uit zijn eigen verklaring tegenover de verbalisanten op 24 april 2018 dat het CBR tegen hem gezegd zou hebben dat zijn rijbewijs ‘weer’ geldig zou zijn. De verdachte heeft niet onderbouwd door wie of wanneer die mededeling zou zijn gedaan. Evenmin heeft hij een daarop betrekking hebbend stuk aan de politie of het hof getoond. Gezien het register en de eerdere onherroepelijke veroordelingen van de verdachte wegens rijden met een ongeldig rijbewijs in 2016 en 2017 en gelet op de omstandigheid dat niet is gebleken dat de verdachte een rijbewijs in bezit heeft, is deze verklaring van de verdachte ongeloofwaardig. Hieruit valt af te leiden dat de verdachte op de hoogte was van de ongeldigverklaring.”</para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Om tot een bewezenverklaring van een op artikel 9 lid 2, eerste volzin van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, zal uit de bewijsvoering allereerst moeten blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het desbetreffende besluit is bekendgemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (vgl. artikel 3:40 en 3:41 Algemene wet bestuursrecht respectievelijk artikel 124 lid 3 en 132 lid 4 WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en op welke wijze verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden. (Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146.)</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Gelet op het bovenstaande is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Het cassatiemiddel slaagt.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van de overige cassatiemiddelen</title>
    <para>Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;</para>
      <para>- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;</para>
      <para>- verwerpt het beroep voor het overige. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">29 maart 2022</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>