<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2022:40</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T19:01:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-01-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/01917</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2021:1089" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1089</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2022-0014</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2022/182</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:40">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:40</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-24T12:44:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2022:40 Hoge Raad , 25-01-2022 / 21/01917</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2022:40:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto met verborgen ruimte onder belanghebbende. Afzonderlijke rechterlijke beschikking tot onttrekking aan het verkeer van auto, art. 552f.2 Sv en art. 36b.1.4 Sr. Is inbeslaggenomen auto vatbaar voor onttrekking aan het verkeer? Met “feit” in art. 36c en 36d Sr wordt begaan strafbaar feit bedoeld. Rechter die bij afzonderlijke beschikking a.b.i. art. 36b.1.4 Sr onttrekking aan het verkeer beveelt, zal moeten vaststellen dat inbeslaggenomen voorwerp in een in art. 36c of 36d Sr beschreven verband staat tot begaan strafbaar feit (vgl. HR:2022:37). Gelet hierop is oordeel Rb dat auto vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, ontoereikend gemotiveerd, nu beschikking niets inhoudt waaruit kan worden afgeleid dat auto in verband staat tot begaan strafbaar feit. De door Rb in aanmerking genomen omstandigheden dat in auto een verborgen ruimte is aangebracht en dat dit kennelijk tot doel had “te zorgen dat criminele activiteiten onontdekt -en dus mogelijk- blijven en/of om er voor te zorgen dat feitelijke uitvoering ervan minder risico’s voor daders oplevert en aldus wordt vergemakkelijkt” zijn niet toereikend voor dat oordeel. </para>
        <para>Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 21/02362 B.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2022:40:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	21/01917 B</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>		25 januari 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>BESCHIKKING</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 17 februari 2021, nummer RK 21/250, gegeven op een vordering als bedoeld in artikel 552f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [belanghebbende] , </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,</para>
      <para>hierna: de belanghebbende.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de belanghebbende. Namens deze heeft R. Moghni, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Rotterdam, teneinde de bestaande vordering opnieuw te beoordelen en af te doen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van de rechtbank dat de inbeslaggenomen auto vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 552f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering tot onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen personenauto van het merk Renault (kenteken [kenteken] ) toegewezen. De beschikking van de rechtbank houdt voor zover hier van belang het volgende in:</para>
        <para>“Feiten</para>
        <para>Op 10 november 2020 is te Rotterdam onder beslagene beslag gelegd op een personenauto van het merk Renault, type Megane Scenic, kleur blauw, voorzien van het kenteken [kenteken] .</para>
        <para>(...)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Beoordeling <?linebreak?>Uit de stukken leidt de rechtbank het volgende af. De auto is in beslag genomen op grond van artikel 94 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Uit de bevindingen van de verbalisanten en de bij het proces-verbaal gevoegde foto’s volgt dat de auto kennelijk was ingericht om (illegale) goederen/gelden aan het ambtelijk toezicht te onttrekken. In de auto is onder de middenconsole een verborgen ruimte aangetroffen van ongeveer 16 x 80 cm. De verborgen ruimte werd zichtbaar na het onder de middenconsole indrukken van een knop. In de verborgen ruimte werd tevens een losse bodemplaat aangetroffen. De aangetroffen verborgen ruimte is geen standaardvoorziening in een auto en moet dus achteraf zijn ingebouwd, en wel op zeer professionele wijze. Het beslag op de auto voldoet hiermee aan de wettelijke vereisten voor een beslag op grond van artikel 94 lid 2 van het Wetboek van strafvordering. <?linebreak?>Bovendien volgt uit artikel 1:37 van de Algemene Douanewet dat auto’s met een dergelijke verborgen ruimte in beslag genomen moeten worden, en in beginsel vervallen aan de Staat.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 36d van het Wetboek van strafrecht is de auto onder andere vatbaar voor onttrekking aan het verkeer indien de auto van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. Daarvan is sprake indien de auto door de aanwezige verborgen ruimte kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van misdrijven, dan wel de opsporing daarvan kan belemmeren. Een dergelijke verborgen ruimte in de auto is aangelegd met het doel te zorgen dat criminele activiteiten onontdekt -en dus mogelijk- blijven en/of om er voor te zorgen dat de feitelijke uitvoering ervan minder risico’s voor de daders oplevert en aldus wordt vergemakkelijkt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de auto vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer en zal de vordering dus toewijzen.”</para>
      </parablock>
      <paragroup>
        <nr>2.3.1</nr>
        <para>Met het “feit” in artikel 36c en 36d van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt een begaan strafbaar feit bedoeld. De rechter die bij afzonderlijke beschikking als bedoeld in artikel 36b lid 1, onder 4°, Sr de onttrekking aan het verkeer beveelt, zal moeten vaststellen dat het inbeslaggenomen voorwerp in een in artikel 36c of 36d Sr beschreven verband staat tot een begaan strafbaar feit (vgl. het vandaag uitgesproken arrest in de zaak 20/04177, ECLI:NL:HR:2022:37).</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.2</nr>
        <para>Gelet hierop is het oordeel van de rechtbank dat de auto vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer ontoereikend gemotiveerd, nu de bestreden beschikking niets inhoudt waaruit kan worden afgeleid dat de auto in verband staat tot een begaan strafbaar feit. De door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden dat in de auto een verborgen ruimte is aangebracht en dat dit kennelijk tot doel had “te zorgen dat criminele activiteiten onontdekt -en dus mogelijk- blijven en/of om er voor te zorgen dat de feitelijke uitvoering ervan minder risico’s voor de daders oplevert en aldus wordt vergemakkelijkt” zijn niet toereikend voor dat oordeel.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.3</nr>
        <para>Het cassatiemiddel is in zoverre terecht voorgesteld. </para>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- vernietigt de beschikking van de rechtbank;</para>
      <para>- wijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">25 januari 2022</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>