<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2022:302</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T21:27:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-02-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/01305</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2022/496</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2022/11.4 met annotatie van Redactie</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2022/0531 met annotatie van Ernst-Jan Bioch</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2022/47</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2023/22 met annotatie van J.W.J. De Kort</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2022/981 met annotatie van Drs. N.E. Vis</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2022022507</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2022-0631</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:302">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:302</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-24T14:08:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2022:302 Hoge Raad , 25-02-2022 / 20/01305</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2022:302:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Inkomstenbelasting. Art. 3.42, leden 1 en 8, en art. 3.43, lid 1, Wet IB2001; Uitv.reg. energie-investeringsaftrek 2001 en Bijlage I. EIA-verklaring. Begrip investeren. Energiebesparingsnorm.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2022:302:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>BELASTINGKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	20/01305</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum </emphasis>25 februari 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [X] GMBH, domicilie gekozen hebbend te [Z] (hierna: belanghebbende)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 25 februari 2020, nr. 19/385<footnote-ref linkend="_46ca6b14-6a93-4785-b748-1d290d19ed26" />, betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking inzake energie-investeringen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. van Lohuizen, heeft tegen de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. </para>
      <para>De Minister, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.<?linebreak?>Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de klachten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het geding voor het College spitste zich toe op de vraag of de Minister de aanvraag van belanghebbende om een verklaring als bedoeld in artikel 3.42, lid 1, Wet IB 2001 terecht heeft afgewezen op de grond dat belanghebbende geen energiebesparingsberekening heeft overgelegd die voldoet aan de eisen die zijn gesteld in de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 in samenhang gelezen met de bij die uitvoeringsregeling behorende Bijlage I (tekst 2017).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Het College heeft geoordeeld dat de Minister de aanvraag terecht op de hiervoor in 2.1 vermelde grond heeft afgewezen.  </para>
      <paragroup>
        <nr>2.3.1</nr>
        <para>Op grond van artikel 3.42, lid 8, eerste volzin, Wet IB 2001 kan tegen een uitspraak van het College betreffende de in het eerste lid van dit artikel bedoelde verklaring beroep in cassatie worden ingesteld ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.2</nr>
        <para>Op grond van artikel 3.43, lid 1, Wet IB 2001 wordt onder investeren verstaan het aangaan van verplichtingen ter zake van de aanschaffing of de verbetering van een bedrijfsmiddel, alsmede het maken van voortbrengingskosten ter zake van een bedrijfsmiddel, voor zover die verplichtingen en kosten op de belastingplichtige drukken.</para>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>De klachten betogen in wezen dat het College bij de toetsing van de door belanghebbende overgelegde energiebesparingsberekening wat betreft referentieperiode en energiezuinigheid is uitgegaan van een verkeerde maatstaf. <?linebreak?>Het vereiste van een energiebesparingsberekening is van belang in het kader van de aanwijzing van investeringen als energie-investeringen, maar heeft geen invloed op de begrippen investeren en bedrijfsmiddelen. De klachten kunnen daarom niet tot cassatie leiden. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Proceskosten</title>
    <para>De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para>De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_46ca6b14-6a93-4785-b748-1d290d19ed26" label="1">
    <para> ECLI:NL:CBB:2020:113.	</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>