<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2022:1869</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T16:32:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/04379</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2022:641" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:641</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBNHO:2020:11759" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/sprongcassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBNHO:2020:11759</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2022:701" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:701</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2022/3103</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2022/56.20 met annotatie van Redactie</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2022/2531</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2023/41 met annotatie van drs. M.T.M. Hennevelt</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2023/30</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2022121613</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2022-3380</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:1869">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:1869</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-15T15:35:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2022:1869 Hoge Raad , 16-12-2022 / 20/04379</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2022:1869:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Artikel 30fb AWR. Berekening van belastingrente over een periode waarin de Belastingdienst vanwege de betaling van een eerdere voorlopige aanslag al beschikte over het te betalen belastingbedrag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2022:1869:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BELASTINGKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	20/04379</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum </emphasis>16 december 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 20 november 2020, nrs. HAA 20/1122 en HAA 20/1123<footnote-ref linkend="_efcf682a-5c36-46e1-82d7-04d0386b3dbe" />, betreffende ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen inzake belastingrente.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <para>Belanghebbende, vertegenwoordigd door L.A. van Dijk, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.<?linebreak?>De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.<?linebreak?>Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.<?linebreak?>De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 29 juni 2022 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.<footnote-ref linkend="_2990e710-a505-44ba-afa5-815bf75aa218" /><?linebreak?>De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.</para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het middel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Deze zaak ziet op beschikkingen inzake belastingrente die in rekening is gebracht ter zake van voorlopige aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de jaren 2015 en 2016. Het geschil betreft, net als in de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1673, in het bijzonder de belastingrente die aan belanghebbende in rekening is gebracht over een periode waarin de Belastingdienst vanwege de betaling van eerdere voorlopige aanslagen al beschikte over het desbetreffende te betalen belastingbedrag. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De Rechtbank heeft de vraag of de Inspecteur over de hiervoor in 2.1 bedoelde periode terecht belastingrente in rekening heeft gebracht, bevestigend beantwoord. Hiertegen keert zich het middel.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Op de gronden uiteengezet in rechtsoverwegingen 3.2 tot en met 3.3.4 van het hiervoor in 2.1 genoemde arrest van 18 november 2022 slaagt het middel. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Proceskosten</title>
    <para>	De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- verklaart het beroep in cassatie gegrond,</para>
      <para>- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,</para>
      <para>- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,</para>
      <para>- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 532, en</para>
      <para>- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 4.554 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, E.F. Faase, P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2022.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_efcf682a-5c36-46e1-82d7-04d0386b3dbe" label="1">
    <para> 	ECLI:NL:RBNHO:2020:11759.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2990e710-a505-44ba-afa5-815bf75aa218" label="2">
    <para> 	ECLI:NL:PHR:2022:641, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2022:701.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>