<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2022:1856</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T01:07:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/02275</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2022:1227" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:1227</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2022-0257</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2023/65</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:1856">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:1856</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-13T12:58:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2022:1856 Hoge Raad , 13-12-2022 / 21/02275</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2022:1856:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. rijden onder invloed (art. 8.3 en 8.4 WVW 1994) en rijden zonder rijbewijs (art. 107.1 WVW 1994). Dubbel verstek. Aanwezigheidsrecht, art. 36g.1.c Sv. Had afschrift van dagvaarding in hoger beroep moeten worden verzonden naar het in akte h.b. opgegeven adres? Vermelding van adres in akte h.b. kan niet anders worden begrepen dan als opgave van adres in de zin van art. 36g.1.c Sv, waaraan mededelingen over strafzaak kunnen worden toegezonden. Uit de stukken kan niet blijken dat een afschrift van de dagvaarding voor tz. in h.b. is verzonden aan het in de akte h.b. vermelde adres, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending ex art. 36g.3 Sv achterwege kon blijven. Niet blijkt dat hof heeft onderzocht of er reden was het onderzoek op de tz. te schorsen om verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de tz. tegenwoordig te zijn (vgl. HR:2012:BX4736). </para>
        <para>Volgt vernietiging en verwijzing.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2022:1856:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer </emphasis>21/02275 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum	</emphasis>13 december 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 maart 2021, nummer 21-006753-19, in de strafzaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte],</para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D. Greven, advocaat te Borne, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof tot het verlenen van verstek tegen de niet-verschenen verdachte. Het klaagt in het bijzonder dat is verzuimd een afschrift van de appeldagvaarding te sturen naar het in de appelakte vermelde adres van de verdachte.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>Bij de stukken bevinden zich:</para>
        <para>- een akte van hoger beroep van 30 december 2019 waarin als adres van de verdachte is vermeld: [a-straat 1] in [plaats];</para>
        <para>- een akte van uitreiking die inhoudt dat de woon- of verblijfplaats van de verdachte niet bekend is en dat die dagvaarding op 25 januari 2021 is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie;</para>
        <para>- een informatiestaat SKDB-persoon van 6 april 2021 die inhoudt dat de verdachte vanaf 20 februari 2019 geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft;</para>
        <para>- het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep dat inhoudt dat de verdachte daar niet is verschenen en dat tegen hem verstek is verleend.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>De vermelding van het adres [a-straat 1] in [plaats] in de akte van hoger beroep kan niet anders worden begrepen dan als de opgave van een adres in de zin van artikel 36g lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Uit de stukken kan niet blijken dat een afschrift van de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep aan dit adres is gezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending op grond van artikel 36g lid 3 Sv achterwege kon blijven. Daarom had het hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek op de terechtzitting te schorsen om de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. Van zo’n onderzoek blijkt niet. (Vgl. HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4736.) </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Het cassatiemiddel slaagt.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- vernietigt de uitspraak van het hof;</para>
      <para>- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">13 december 2022</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>