<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2022:1816</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T19:19:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/02786</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2022:955" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:955</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2023/24</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2022-0243</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:1816">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:1816</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-06T09:01:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2022:1816 Hoge Raad , 06-12-2022 / 21/02786</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2022:1816:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. aanwezig hebben van harddrugs (art. 2.C Opiumwet). 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 432.1.a Sv. Verontschuldigbare termijnoverschrijding op de grond dat bij verdachte en raadsvrouw de verwachting is gewekt dat hof na rolzitting nog geen arrest zou wijzen? 2. Ontvankelijkheid hoger beroep. Kon hof ervan uitgegaan dat namens verdachte geen grieven zijn ingediend?</para>
        <para>Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2004:AN8587 m.b.t. bijzondere omstandigheden die overschrijding van termijn voor beroep in cassatie door verdachte verontschuldigbaar doen zijn. In deze zaak doet zich zo’n bijzondere omstandigheid voor. In mededeling op dagvaarding voor rolzitting in h.b. van 27-5-2021 wordt gesteld dat “u geen bezwaren heeft ingediend tegen vonnis waartegen u hoger beroep heeft ingesteld”. Uit stukken volgt echter dat raadsvrouw namens verdachte tijdig grieven heeft ingediend tegen vonnis Pr. Mededeling houdt verder in dat rolzitting “is bedoeld om u in de gelegenheid te stellen alsnog uw bezwaren op te geven tegen vonnis, waarna behandeling van uw strafzaak direct zal worden aangehouden tot nadere datum waarop uw strafzaak inhoudelijk behandeld zal worden”. Gelet hierop mocht verdachte, die al bezwaren had ingediend, ervan uitgaan dat hij niet op die rolzitting hoefde te verschijnen en mocht hij erop vertrouwen dat zijn zaak op die dag niet inhoudelijk zou worden behandeld en afgedaan. HR acht overschrijding van termijn voor instellen van beroep in cassatie met bijna maand verontschuldigbaar en beroep ontvankelijk, mede in aanmerking genomen dat uit stukken kan worden afgeleid dat raadsvrouw op 25-6-2021 bekend is geworden met het in cassatie bestreden arrest (van 27-5-2021) en dat op 5-7-2021 beroep in cassatie is ingesteld. </para>
        <para>Ad 2. Uit wat hiervoor is overwogen (raadsvrouw heeft namens verdachte tijdig grieven ingediend tegen vonnis Pr) volgt dat middel slaagt. </para>
        <para>Volgt vernietiging en terugwijzing.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2022:1816:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer </emphasis>21/02786 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum	</emphasis>6 december 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 mei 2021, nummer 23-000371-21, in de strafzaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] ,</para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>De dagvaarding van de verdachte om ter terechtzitting in hoger beroep van het hof van 27 mei 2021 te verschijnen is aan de verdachte in persoon betekend. Het hof heeft uitspraak gedaan op 27 mei 2021. Op grond van artikel 432 lid 1, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) moet in zo’n geval beroep in cassatie worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak. In dit geval liep de termijn voor het instellen van beroep af op 10 juni 2021. Namens de verdachte is op 5 juli 2021 het beroep ingesteld. Daarmee is de termijn voor het instellen van beroep in cassatie overschreden.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>In de onder 1 bedoelde schriftuur wordt aangevoerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat bij de verdachte en zijn raadsvrouw de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat het hof op de zogenoemde rolzitting van 27 mei 2021 nog geen arrest zou wijzen.</para>
      <paragroup>
        <nr>2.3.1</nr>
        <parablock>
          <para>De dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van 27 mei 2021 houdt onder meer het volgende in:</para>
          <para>“De advocaat-generaal dagvaardt (...) [verdachte] (...) om te verschijnen op de ROLZITTING van het gerechtshof Amsterdam (...) op donderdag 27 mei 2021 te 11:15, teneinde in hoger beroep terecht te staan terzake van het hem in eerste aanleg tenlastegelegde bij de dagvaarding(en), met inbegrip van eventuele in eerste aanleg door het OM gevorderde en door de rechtbank toegestane wijzigingen, vanwege de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam betekend onder parketnummer 13-225991-19, met verwijzing naar de mededelingen aan de onderzijde van deze dagvaarding.”</para>
          <para>Verder bevat de dagvaarding aan de onderzijde de volgende mededeling:</para>
          <para>“(...) U bent gedagvaard om te verschijnen op een ROLZITTING van het hof omdat u hoger beroep heeft ingesteld tegen een uitspraak van de kantonrechter/politierechter/meervoudige kamer van de rechtbank. Omdat u geen bezwaren heeft opgegeven tegen het vonnis waartegen u hoger beroep heeft ingesteld zal uw zaak op de in de dagvaarding aangegeven datum en tijdstip worden behandeld op een zogenaamde ROLZITTING van het gerechtshof te Amsterdam. Deze zitting is bedoeld om u in de gelegenheid te stellen alsnog uw bezwaren op te geven tegen het vonnis, waarna de behandeling van uw strafzaak direct zal worden aangehouden tot een nadere datum waarop uw strafzaak inhoudelijk behandeld zal worden. Tijdens de behandeling bestaat niet de mogelijkheid om inhoudelijk op uw strafzaak in te gaan of om onderzoekswensen naar voren te brengen. U bent immers al in de gelegenheid gesteld om onderzoekswensen op te geven, van welke mogelijkheid u geen gebruik heeft gemaakt. Deze behandeling is uitsluitend bedoeld om te inventariseren of en zo ja, wat de bezwaren zijn tegen het vonnis waartegen door of namens u hoger beroep is ingesteld. U dient er rekening mee te houden dat indien u niet verschijnt en door u ook niet voorafgaand aan of tijdens de zitting bezwaren zijn opgegeven tegen het vonnis waartegen u beroep heeft ingesteld de kans bestaat dat het hof u conform artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk verklaart in het door u ingestelde hoger beroep.”</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.2</nr>
        <parablock>
          <para>Bij de stukken bevinden zich:</para>
          <para>- een e-mailbericht van 15 februari 2021 van de raadsvrouw van de verdachte aan de rechtbank Amsterdam. Als bijlage bij dit bericht is opgenomen een brief van de raadsvrouw waarboven is vermeld: “Betreft: Instellen hoger beroep (uitdrukkelijke schriftelijke volmacht) [verdachte] /OM, parketnr.: 13/225991-19”, eveneens gedateerd 15 februari 2021, die onder meer inhoudt: </para>
          <para>“Op 1 februari 2021 is in de strafzaak met bovengenoemd parketnummer vonnis gewezen door de politierechter te Amsterdam.<?linebreak?>[verdachte] kan zich niet verenigen met dit vonnis en wenst hiertegen hoger beroep in te stellen. </para>
          <para>
            <emphasis role="underline">Grief:</emphasis>
            <?linebreak?>als grief tegen het bestreden vonnis wordt door appellant thans reeds opgegeven:<?linebreak?>verdachte kan zich niet verenigen met de opgelegde (bijkomende) straf.”</para>
          <para>- een e-mailbericht van 1 maart 2021 van de raadsvrouw van de verdachte aan de rechtbank Amsterdam, met als onderwerp “Appelschriftuur inzake 13-225991-19 [verdachte] ”, dat onder meer inhoudt:</para>
          <para>“GRIEVEN: [verdachte] stelt zich op het standpunt dat ten onrechte door de Politierechter is beslist tot verbeurdverklaring van een in beslag genomen geldbedrag als bijkomende straf. [verdachte] stelt zich op het standpunt dat van enige relatie tussen het bewezenverklaarde feit en het geldbedrag dat verbeurd is verklaard geen sprake is. Het geldbedrag is niet door middel van of uit de baten van het strafbare feit verkregen. Tot slot voert cliënt aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn draagkracht.”</para>
          <para>- een brief van 30 augustus 2021 van de griffier van het hof aan de strafgriffie van de Hoge Raad, die onder meer inhoudt: </para>
          <para>”Op enig moment na het wijzen van eerdergenoemd arrest is het het gerechtshof gebleken dat de verdediging wel degelijk (tijdig) een schriftuur houdende grieven tegen het vonnis had ingediend, zodat het hof de verdachte bij arrest van 27 mei 2021 ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep.”</para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor beroep in cassatie door de verdachte betekent in de regel dat deze niet in dat beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. (Vgl. met betrekking tot overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587.)</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>In deze zaak doet zich zo’n bijzondere omstandigheid voor. In de hiervoor onder 2.3.1 weergegeven mededeling op de dagvaarding voor de rolzitting van 27 mei 2021 van het gerechtshof wordt gesteld dat “u geen bezwaren heeft ingediend tegen het vonnis waartegen u hoger beroep heeft ingesteld”. Uit de hiervoor onder 2.3.2 weergegeven stukken volgt echter dat de raadsvrouw namens de verdachte tijdig grieven heeft ingediend tegen het bestreden vonnis van de politierechter. De mededeling houdt verder onder meer in dat de rolzitting “is bedoeld om u in de gelegenheid te stellen alsnog uw bezwaren op te geven tegen het vonnis, waarna de behandeling van uw strafzaak direct zal worden aangehouden tot een nadere datum waarop uw strafzaak inhoudelijk behandeld zal worden”. Gelet hierop mocht de verdachte, die al bezwaren had ingediend, ervan uitgaan dat hij niet op die rolzitting hoefde te verschijnen en mocht hij erop vertrouwen dat zijn zaak op 27 mei 2021 niet inhoudelijk zou worden behandeld en afgedaan. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>De Hoge Raad acht de overschrijding van de termijn voor het instellen van beroep in cassatie met bijna een maand verontschuldigbaar en het beroep ontvankelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad mede in aanmerking dat uit de stukken, waaronder bijlage 2 bij de cassatieschriftuur, kan worden afgeleid dat de raadsvrouw van de verdachte op 25 juni 2021 bekend is geworden met het in cassatie bestreden arrest en dat op 5 juli 2021 beroep in cassatie is ingesteld.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het cassatiemiddel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep door het hof. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat namens de verdachte geen grieven waren ingediend. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Uit het hiervoor onder 2.5 is overwogen volgt dat het cassatiemiddel slaagt. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- vernietigt de uitspraak van het hof;</para>
      <para>- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">6 december 2022</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>