<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2022:1701</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T00:37:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/02021</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2022:841" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:841, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2022/2706</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2022/1101</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2022/371</rdf:li>
          <rdf:li>GZR-Updates.nl 2022-0324</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:1701">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:1701</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-18T15:02:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2022:1701 Hoge Raad , 18-11-2022 / 22/02021</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2022:1701:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wvggz. Procesrecht. Art. 422 Rv. Machtiging inmiddels vervallen. Beoordelingsruimte na cassatie en terugwijzing. Beoordeling 'ex nunc' of 'ex tunc'?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2022:1701:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>CIVIELE KAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	22/02021</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>	18 november 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>BESCHIKKING</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [betrokkene],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>VERZOEKER tot cassatie,</para>
      <para>hierna: betrokkene,</para>
      <para>advocaat: C. Reijntjes-Wendenburg,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT DEN HAAG,</para>
      <para>VERWEERDER in cassatie,</para>
      <para>hierna: de officier van justitie,</para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:<?linebreak?>a. de beschikking in de zaak C/09/614515 / FA RK 21-4493 van de rechtbank Den Haag van  </para>
      <para>    13 juli 2021;</para>
      <para>b. de beschikking in de zaak 21/03952 van de Hoge Raad van 4 februari 2022; en</para>
      <para>c. de beschikking in de zaak C/09/614515 / FA RK 21-4493 van de rechtbank Den Haag van </para>
      <para>    23 maart 2022.</para>
      <para>Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank van 23 maart 2022 beroep in cassatie ingesteld.<?linebreak?>De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.<?linebreak?>De conclusie van de advocaat-generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot verwerping.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Uitgangspunten en feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:</para>
        <para>(i) De rechtbank heeft op 9 februari 2021 voor betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 9 augustus 2021.</para>
        <para>(ii) Bij beschikking van 13 juli 2021 heeft de rechtbank een aansluitende zorgmachtiging verleend tot en met 13 januari 2022.</para>
        <para>(iii) Betrokkene heeft tegen de beschikking van 13 juli 2021 beroep in cassatie ingesteld. </para>
        <para>(iv) Bij beschikking van 27 december 2021 heeft de rechtbank opnieuw een aansluitende zorgmachtiging verleend. Tegen deze beschikking is geen cassatieberoep ingesteld. </para>
        <para>(v) De Hoge Raad heeft bij beschikking van 4 februari 2022<footnote-ref linkend="_7f9806f3-b55b-4564-b686-956c37dbf321" /> de beschikking van de rechtbank van 13 juli 2021 vernietigd en het geding naar de rechtbank teruggewezen ter verdere behandeling en beslissing. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Na de hiervoor in 2.1 onder (v) vermelde terugwijzing heeft de rechtbank bij beschikking van 23 maart 2022 voor betrokkene een aansluitende zorgmachtiging verleend tot en met             13 januari 2022.<footnote-ref linkend="_39f1e471-1afe-492d-9475-62024890866c" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft onder meer het volgende overwogen. </para>
        <para>De bestreden beslissing betreft een machtiging die inmiddels is vervallen. De rechtbank heeft op 27 december 2021 een (nieuwe) aansluitende zorgmachtiging verleend. Die beslissing ligt nu niet ter toetsing voor. De rechtbank dient in het onderhavige geval daarom te beoordelen of ten tijde van de vernietigde beslissing, op 13 juli 2021, werd voldaan aan de criteria voor verlening van de verzochte aansluitende zorgmachtiging (‘ex tunc’). </para>
        <para>De rechtbank moet de zaak behandelen in de stand waarin deze zich bevond toen de vernietigde beschikking werd gegeven. </para>
        <para>Gelet op het oordeel van de Hoge Raad in de beschikking van 4 februari 2022, moet de beoordeling door de rechtbank zich alleen nog richten op de vraag of zich ten aanzien van het bezwaar van betrokkene tegen het toedienen van medicatie, situaties voordeden als bedoeld in art. 2:1 lid 6, aanhef en onder b, Wvggz en, indien dat niet het geval was, of sprake was van wilsbekwaam verzet van betrokkene. In de onderhavige zaak is geen sprake van een beslissing die ziet op de actuele toestand, nu (opnieuw) een beslissing moet worden genomen over het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging, die - met het verlenen van een (nieuwe) aansluitende zorgmachtiging - op 27 december 2021 reeds is vervallen. Verder is gesteld noch gebleken dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin de gebondenheid van de rechter aan niet of tevergeefs bestreden beslissingen kan worden doorbroken.</para>
        <para>Het voorgaande brengt mee dat geen nieuwe feitelijke stellingen, verweren en standpunten kunnen worden aangevoerd. De verweren die betrokkene na terugwijzing voor het eerst aanvoert, behoeven dan ook niet in de beoordeling te worden betrokken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het middel</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Onderdeel II van het middel klaagt onder meer dat de rechtbank een te beperkte uitleg heeft gegeven aan art. 422 Rv en ten onrechte de door betrokkene na cassatie en terugwijzing ingenomen standpunten niet in de beoordeling heeft betrokken. De aard van de door de rechter in Wvggz-zaken te nemen beslissing brengt mee dat de rechtbank na terugwijzing het geschil in volle omvang moet behandelen. De betrokkene mag na cassatie en terugwijzing dan ook nieuwe standpunten innemen, aldus de klacht. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Uit de rechtspraak van de Hoge Raad onder de Wet Bopz (oud) volgt dat ingeval na cassatie en verwijzing opnieuw moet worden beslist over de verlening van een machtiging op een tijdstip dat binnen de geldigheidsduur van de (opnieuw) te verlenen machtiging valt, de rechtbank haar beslissing dient te nemen op basis van de feiten en omstandigheden die zich ten tijde van die beslissing voordoen (beoordeling ‘ex nunc’). Indien echter ten tijde van de beoordeling na cassatie en terugwijzing de bij de vernietigde beslissing gegeven machtiging inmiddels is vervallen, moet de rechtbank beoordelen of op het tijdstip dat de vernietigde beslissing werd gegeven voldoende grond bestond voor het verlenen van de verzochte machtiging (beoordeling ‘ex tunc’).<footnote-ref linkend="_4f1dae4e-4299-4344-a2f7-e23bd39cccba" /> Deze rechtspraak geldt ook onder de Wvggz. 	</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Ten tijde van de beoordeling na cassatie en terugwijzing was de bij de vernietigde beslissing gegeven machtiging inmiddels vervallen (zie hiervoor in 2.1 onder (ii) en (v)). Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen niet miskend. Hierop stuit de hiervoor in 3.1 weergegeven klacht af.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak, als voorzitter, de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op <emphasis role="underline">18 november 2022.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_7f9806f3-b55b-4564-b686-956c37dbf321" label="1">
    <para> HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:123.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_39f1e471-1afe-492d-9475-62024890866c" label="2">
    <para> Rechtbank Den Haag 23 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2619. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4f1dae4e-4299-4344-a2f7-e23bd39cccba" label="3">
    <para> Vgl. voor een en ander HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1202, rov. 3.1.2-3.1.3.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>