<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2022:1699</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T17:35:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/02968</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#artikel81ROzaken">Artikel 81 RO-zaken</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2022:653" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:653, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2022/1099</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2022/369</rdf:li>
          <rdf:li>NTHR 2023, afl. 1, p. 29</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:1699">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:1699</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-18T12:05:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2022:1699 Hoge Raad , 18-11-2022 / 21/02968</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2022:1699:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 81 lid 1 RO. Luchtvaart. Compensatie bij langdurige vertraging (Verordening (EG) nr. 261/2004); buitengewone omstandigheden: aanvaring met vogel (‘bird strike’). Ontvankelijkheid in cassatie; kan tegen vonnissen, gewezen op verschillende dagen in procedures tussen verschillende partijen, bij één procesinleiding cassatieberoep worden ingesteld?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2022:1699:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>CIVIELE KAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	21/02968</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>	18 november 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>CLOSED STOCK COMPANY QATAR AIRWAYS (Q.C.S.C.),</para>
      <para>gevestigd te Doha, Qatar,</para>
      <para>EISERES tot cassatie,</para>
      <para>hierna: de vervoerder,</para>
      <para>advocaat: M.E. Bruning,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. [verweerder 1],</para>
    <para>2. [verweerder 2],</para>
    <para>	beiden wonende te [woonplaats],	</para>
    <para />
    <para>3. [verweerder 3],</para>
    <para> 	wonende te [woonplaats],</para>
    <para />
    <para>4. [verweerder 4],</para>
    <para> 	wonende te [woonplaats],</para>
    <para />
    <para>5. [verweerder 5],</para>
    <para>6. [verweerder 6],</para>
    <para>7. [verweerder 7],</para>
    <para>8. [verweerder 8],</para>
    <para>9. [verweerder 9],</para>
    <para>	allen wonende te [woonplaats],</para>
    <para />
    <para>10. [verweerder 10],</para>
    <para>	wonende te [woonplaats],</para>
    <para />
    <para>11. [verweerder 11],</para>
    <para>12. [verweerder 12],</para>
    <para>	beiden wonende te [woonplaats],</para>
    <para />
    <para>13. [verweerder 13],</para>
    <para>14. [verweerder 14],</para>
    <para>	beiden wonende te [woonplaats],</para>
    <para />
    <para>15. [verweerder 15],</para>
    <para>	wonende te [woonplaats], </para>
    <para />
    <para>16 [verweerder 16],</para>
    <para>	wonende te [woonplaats],</para>
    <para />
    <para>17. [verweerder 17],</para>
    <para>	wonende te [woonplaats], </para>
    <para />
    <para>18. [verweerder 18],</para>
    <para>	wonende te [woonplaats],</para>
    <para />
    <para>19. [verweerder 19],</para>
    <para>	wonende te [woonplaats],</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>VERWEERDERS in cassatie,</para>
      <para>hierna gezamenlijk: de passagiers,</para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaken 8318374 \ CV EXPL 20-1506, 8258036 \ CV EXPL 20-316, 8258053 \ CV EXPL 20-318, 8258232 \ CV EXPL 20-323, 8258250 \ CV EXPL 20-324, 8258287 \ CV EXPL 20-326, 8258294 \ CV EXPL 20-327, 8373470 \ CV EXPL 20-2356,  8373500 \ CV EXPL 20-2357, 8373540 \ CV EXPL 20-2361, 8373565 \ CV EXPL 20-2363 en 8373618 \ CV EXPL 20-2365 van de kantonrechter te Haarlem van 14 april 2021, 21 april 2021 en 28 april 2021. </para>
      <para>De vervoerder heeft tegen de vonnissen van de kantonrechter beroep in cassatie ingesteld.</para>
      <para>Tegen de passagiers is verstek verleend.</para>
      <para>De zaak is voor de vervoerder toegelicht door haar advocaat. </para>
      <para>De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatie-beroep. </para>
      <para>De advocaat van de vervoerder heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Uitgangspunten en feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.</para>
        <para>(i) De passagiers hebben ieder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de desbetreffende passagier diende te vervoeren van Amsterdam (Schiphol) naar Doha (Qatar) of via Doha naar een andere eindbestemming.</para>
        <para>(ii) De vlucht van Amsterdam naar Doha is geannuleerd. De passagiers zijn omgeboekt naar een andere vlucht en zijn uiteindelijk meer dan drie uur later dan gepland op hun eindbestemming aangekomen.</para>
        <para>(iii) De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met de annulering. De vervoerder heeft dit geweigerd.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De passagiers hebben in twaalf afzonderlijke procedures betaling gevorderd van compensatie door de vervoerder. Bij vonnissen van 14 april 2021, 21 april 2021 en 28 april 2021 heeft de kantonrechter de vorderingen van ieder van de passagiers toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep</title>
    <para>De vervoerder heeft door middel van één procesinleiding cassatieberoep ingesteld tegen de hiervoor in 2.2 genoemde vonnissen van de kantonrechter. Deze vonnissen zijn op drie verschillende data gewezen in procedures tussen verschillende eisers en de vervoerder. Deze procedures hebben betrekking op identieke vorderingen, die zijn gebaseerd op hetzelfde feitencomplex. De motivering van de vonnissen is, op één zin na, gelijkluidend. Gelet hierop is voldaan aan de eis dat ook aanstonds voldoende vaststaat dat een genoegzame samenhang bestaat tussen de verschillende zaken om een gezamenlijke behandeling daarvan in cassatie te rechtvaardigen.<footnote-ref linkend="_7b2719e3-e74f-4f12-9cbe-5d2d31ae3791" /> Het cassatieberoep is dus ontvankelijk.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Beoordeling van het middel</title>
    <para>De Hoge Raad heeft de klachten over de vonnissen van de kantonrechter beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die vonnissen. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- verwerpt het beroep;</para>
      <para>- veroordeelt de vervoerder in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de passagiers begroot op nihil. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.H. Sieburgh en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op <emphasis role="underline">18 november 2022.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_7b2719e3-e74f-4f12-9cbe-5d2d31ae3791" label="1">
    <para> 	Vgl. HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8317, rov. 4.3.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>