<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2022:1480</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T23:33:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/00435</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2022:755" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:755</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2022/1040</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:1480">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:1480</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-01T10:41:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2022:1480 Hoge Raad , 01-11-2022 / 21/00435</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2022:1480:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Medeplegen telen van hennep (art. 3.B Opiumwet), medeplegen aanwezig hebben van hennep (art. 3.C Opiumwet) en medeplegen diefstal van elektriciteit (art. 310 Sr). Verjaring medeplegen hennepteelt (feit 1) en aanwezig hebben van hennep (feit 2), absolute verjaringstermijn. Feiten 1 en 2 zijn bij art. 3.B en 3.C jo. 11.2 Opiumwet strafbaar gesteld als misdrijf waarop gevangenisstraf van ten hoogste 2 jaren is gesteld. Deze feiten zijn volgens tll. begaan in of omstreeks periode van 1-1-2006 tot en met 4-6-2008 (feit 1) en op of omstreeks 5-1-2008 (feit 2). O.g.v. art. 70.1.2 jo. 72.2 Sr beloopt verjaringstermijn i.c. ten hoogste 2 maal 6 jaren. Daarom is wat betreft het onder 1 en 2 tlgd. het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen. HR zal wat betreft feiten 1 en 2 OM n-o verklaren in vervolging. </para>
        <para>Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. strafoplegging. Samenhang met 21/00427 P.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2022:1480:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer </emphasis>21/00435 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum	</emphasis>1 november 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 augustus 2012, nummer 22-003347-10, in de strafzaak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] ,</para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.J.W. Tijkotte, advocaat te Koog aan de Zaan, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor zover het betreft de beslissingen omtrent de feiten onder 1 en 2, en de strafoplegging, tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging ten aanzien van de feiten onder 1 en 2, tot terugwijzing van de zaak voor de strafoplegging voor feit 3 naar het gerechtshof Den Haag, en tot verwerping van het beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het eerste cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het cassatiemiddel voert aan dat wat betreft feit 1 en 2 het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Aan de verdachte is - zakelijk weergegeven - tenlastegelegd:<?linebreak?>1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;<?linebreak?>2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;<?linebreak?>3. diefstal van elektriciteit door twee of meer verenigde personen.<?linebreak?>Het hof heeft het tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen weken, waarvan vier weken voorwaardelijk.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>De hiervoor onder 1 en 2 vermelde feiten zijn bij artikel 3, onder B en C, Opiumwet in samenhang met artikel 11 lid 2 Opiumwet strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren is gesteld.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Deze feiten zijn volgens de tenlastelegging begaan in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 4 juni 2008 (feit 1) en op of omstreeks 5 juni 2008 (feit 2). Op grond van artikel 70 lid 1, aanhef en onder 2º, in samenhang met artikel 72 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht beloopt de verjaringstermijn in dit geval ten hoogste twee maal zes jaren. Daarom is wat betreft het onder 1 en 2 tenlastegelegde het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>De Hoge Raad zal wat betreft feit 1 en 2 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het tweede cassatiemiddel</title>
    <para>De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).</para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Beoordeling van het derde cassatiemiddel</title>
    <para>Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad: </para>
      <para>- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 en 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;</para>
      <para>- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 1 en 2 tenlastegelegde;</para>
      <para>- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak wat betreft de strafoplegging opnieuw wordt berecht en afgedaan;</para>
      <para>- verwerpt het beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">1 november 2022</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>