<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2022:1137</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T19:35:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/01749</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#herziening">Herziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHARL:2018:1529" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/herziening" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:GHARL:2018:1529</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2022-0160</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2022/296</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2022/818</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:1137">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:1137</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-06T11:36:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2022:1137 Hoge Raad , 06-09-2022 / 22/01749</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2022:1137:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Herziening. Opzettelijk auto aan het krachtens de wet daarop gelegde beslag onttrekken (art. 198.1 Sr). Aangevoerd wordt dat sprake is van een gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv op de grond dat uit (civiel) vonnis is gebleken dat t.t.v. beslaglegging de schuldeiser juist geldbedrag verschuldigd was aan aanvrager, welk bedrag de vordering op aanvrager die aanleiding was voor beslag te boven ging. Art. 198 Sr beoogt niet de belangen van beslaglegger te waarborgen, maar strekt tot eerbiediging van een daad van openbaar gezag (vgl. HR:1995:ZD0176). Met woorden ‘krachtens de wet’ in art. 198.1 Sr wordt daarbij tot uitdrukking gebracht dat beslag op de in de wet voorgeschreven wijze moet zijn gelegd (vgl. HR:2021:1878). Dat betekent dat strafrechter, als het gaat om civiel beslag, bij beoordeling van een op art. 198.1 Sr toegesneden tll. kan toetsen of beslag op de in Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorschreven wijze is gelegd. Die toets strekt zich echter niet uit tot beoordeling van materiële juistheid van vordering die aan beslag ten grondslag ligt. Het vorenstaande brengt met zich dat aanvraag niet ernstig vermoeden wekt dat hof, als het bekend was geweest met wat daarin wordt gesteld over vordering van aanvrager op schuldeiser, niet tot oordeel was gekomen (en had kunnen komen) dat beslag op auto ‘krachtens de wet’ was gelegd. </para>
        <para>Afwijzing aanvraag. Vervolg op HR:2020:125 (strafzaak).</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2022:1137:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	22/01749 H</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>		6 september 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 februari 2018, nummer 21-002419-17, ingediend door M.Th.M. Demmer, advocaat te Hengelo, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>namens</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [aanvrager] , </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,</para>
      <para>hierna: de aanvrager.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De uitspraak waarvan herziening is gevraagd</title>
    <para>Het hof heeft de aanvrager veroordeeld voor opzettelijk enig goed aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag onttrekken, strafbaar gesteld in artikel 198 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), tot een taakstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De aanvraag tot herziening</title>
    <para>De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van de aanvraag</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof heeft ten laste van de aanvrager bewezenverklaard dat:</para>
        <para>“hij op 25 september 2015 te [plaats] , opzettelijk een personenauto (van het merk Daimlerchrysler voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] ), waarop door [betrokkene 1] (in opdracht van [betrokkene 2] ), op grond van het vonnis van de Rechtbank Overijssel d.d. 18 februari 2004 beslag was gelegd, aan dat beslag heeft onttrokken.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Aan de aanvraag is ten grondslag gelegd dat op 27 juli 2015 op verzoek van [betrokkene 2] het in de bewezenverklaring vermelde executoriaal beslag op de auto is gelegd in verband met een vordering van [betrokkene 2] op de aanvrager, terwijl uit een (civiel) vonnis van de rechtbank Overijssel van 13 augustus 2019 is gebleken dat ten tijde van die beslaglegging [betrokkene 2] juist een geldbedrag verschuldigd was aan de aanvrager, welk bedrag de vordering van [betrokkene 2] op de aanvrager die aanleiding was voor het beslag te boven ging. </para>
      <paragroup>
        <nr>3.4.1</nr>
        <para>Artikel 198 Sr beoogt niet de belangen van de beslaglegger te waarborgen, maar strekt tot eerbiediging van een daad van openbaar gezag (vgl. HR 30 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0176). Met de woorden ‘krachtens de wet’ in artikel 198 lid 1 Sr wordt daarbij tot uitdrukking gebracht dat het beslag op de in de wet voorgeschreven wijze moet zijn gelegd (vgl. HR 14 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1878, rechtsoverweging 2.4). Dat betekent dat de strafrechter, als het gaat om een civiel beslag, bij de beoordeling van een op artikel 198 lid 1 Sr toegesneden tenlastelegging kan toetsen of het beslag op de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorschreven wijze is gelegd. Die toets strekt zich echter niet uit tot een beoordeling van de materiële juistheid van de vordering die aan het beslag ten grondslag ligt.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.4.2</nr>
        <para>Het vorenstaande brengt met zich dat de aanvraag niet het ernstige vermoeden wekt dat het hof, als het bekend was geweest met wat daarin wordt gesteld over de vordering van de aanvrager op [betrokkene 2] , niet tot het oordeel was gekomen – en had kunnen komen – dat het beslag op de auto ‘krachtens de wet’ was gelegd. In zoverre wekt de aanvraag niet een ernstig vermoeden als onder 3.1 bedoeld. </para>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Ook voor zover de aanvraag betoogt dat het hof aan de aanvrager een lagere straf zou hebben opgelegd als het met het aangevoerde bekend was geweest, kan de aanvraag niet slagen. Onder ‘een minder zware strafbepaling’ in de zin van artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv moet immers worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. De oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie of het achterwege laten van de oplegging van een sanctie valt daar niet onder. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>De aanvraag is, gelet op wat hiervoor is overwogen, kennelijk ongegrond.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para>De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">6 september 2022</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>