<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2021:923</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T15:48:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/02182</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2021:60" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:60, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHAMS:2020:1299" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen">In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2020:1299, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2021/1811</rdf:li>
          <rdf:li>PFR-Updates.nl 2021-0148</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2021/642</rdf:li>
          <rdf:li>RFR 2021/105</rdf:li>
          <rdf:li>JPF 2021/106 met annotatie van Vlaardingerbroek, P.</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2021:923">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2021:923</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-11T14:38:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2021:923 Hoge Raad , 11-06-2021 / 20/02182</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2021:923:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Familierecht. Partneralimentatie. Kinderalimentatie. Vaststelling draagkracht en behoefte. Motivering.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2021:923:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para> HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>CIVIELE KAMER</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	20/02182</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Datum 	</emphasis>11 juni 2021 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BESCHIKKING</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>In de zaak van</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [de man],<?linebreak?>wonende te [woonplaats],</para>
    <para>VERZOEKER tot cassatie,</para>
    <para>hierna: de man,</para>
    <para>advocaat: Y.E.J. Geradts,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>tegen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [de vrouw],<?linebreak?>wonende te [woonplaats], </para>
    <para>VERWEERSTER in cassatie,</para>
    <para>hierna: de vrouw,</para>
    <para>advocaat: D.Th.J. van der Klei.</para>
  </parablock>
  <para>
    <emphasis role="bold">1.	Procesverloop</emphasis>
  </para>
  <para>Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: </para>
  <orderedlist numeration="loweralpha">
    <listitem>
      <para>de beschikkingen in de zaken C/15/266256/FA RK 17-6500 en C/l 5/268356 / FA RK 17- 7562 van de rechtbank Noord-Holland van 13 december 2017 en 25 juli 2018;</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>de beschikkingen in de zaak 200.249.522/01 van het gerechtshof Amsterdam van 30 juli 2019 en 21 april 2020.</para>
    </listitem>
  </orderedlist>
  <parablock>
    <para>De man heeft tegen de beschikking van het hof van 21 april 2020 beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
    <para>De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.</para>
    <para>De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.</para>
    <para>De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Uitgangspunten en feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.</para>
        <para>(i) Partijen zijn met elkaar gehuwd op 1 november 2013.</para>
        <para>(ii) Uit het huwelijk is in 2014 een zoon geboren.</para>
        <para>(iii) De zoon lijdt aan een zeldzame combinatie van twee genetische ziekten en is daardoor meervoudig gehandicapt.</para>
        <para>(iv) Het huwelijk van partijen is ontbonden op 12 november 2018 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon (hierna ook: de kinderalimentatie) vast te stellen van € 779,-- per maand en een door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: de partneralimentatie) van € 2.082,-- bruto per maand. De rechtbank heeft de door de man te betalen kinderalimentatie bepaald op € 588,-- per maand en de door de man te betalen partneralimentatie op € 1.325,-- bruto per maand.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover deze de kinderalimentatie betreft en beslist dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon € 713,-- per maand moet betalen. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd voor zover deze de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie betreft. Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“4.7	(…) De bruto winst uit onderneming bedraagt blijkens de jaarverslagen</para>
        <para>2015 tot en met 2017, € 95.896,--, respectievelijk € 78.579,-- en € 95.876,--. Het gemiddelde inkomen van de man over de drie jaren bedraagt aldus € 90.117,-- per jaar. (…)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(…)</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13</nr>
      <para>Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende heeft onderbouwd dat zij momenteel niet in staat is inkomen uit arbeid te verwerven. Nu de verdere inkomsten die de vrouw uit PGB en kinderbijslag ontvangt, opgaan aan de bijzondere kosten voor [de zoon] en dus niet worden meegerekend als inkomen, is het hof van oordeel dat ter zake van de vrouw slechts rekening kan worden gehouden met een minimale draagkracht in de kosten voor [de zoon] van € 25,--.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(…)</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.33 (…)</nr>
      <para>Voorts zal het hof het PGB dat de vrouw ontvangt niet in mindering brengen op de behoeftigheid van de vrouw nu dit inkomen slechts voorziet in de noodzakelijke kosten voor een kind als [de zoon]. (…)”</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het middel</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Onderdeel 2 van het middel klaagt onder meer dat onvoldoende gemotiveerd is het oordeel van het hof (in rov. 4.13) dat de inkomsten van de vrouw uit het PGB opgaan aan de bijzondere kosten voor de zoon, respectievelijk (in rov. 4.33) slechts voorzien in de noodzakelijke kosten voor een kind als de zoon. Het onderdeel wijst erop dat uit de met producties onderbouwde stellingen van de man volgt dat het PGB wordt toegekend aan de vrouw in verband met de tijd die nodig is om de zoon te verzorgen, welke tijd niet kan worden besteed aan werk buitenshuis.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Het onderdeel treft doel. Uit de passages in de gedingstukken, vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.18, blijkt dat het PGB aan de vrouw is toegekend voor verpleging en persoonlijke verzorging van de zoon, nader aangeduid in uren en minuten, en dat beide partijen het PGB tot de inkomsten van de vrouw rekenen, zowel bij de bepaling van haar draagkracht om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon, als bij de bepaling van haar behoeftigheid ten aanzien van de kosten van haar levensonderhoud. Tegen die achtergrond is onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat bij de bepaling van de draagkracht en de behoeftigheid van de vrouw de inkomsten uit het PGB niet worden meegerekend omdat die opgaan aan de bijzondere kosten voor de zoon.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Onderdeel 3 bevat de klacht dat onbegrijpelijk is dat het hof voor de berekening van de behoefte van de zoon en van de draagkracht van de man voor de kinder- en de partneralimentatie, wat betreft de bruto winst uit onderneming van de man in het jaar 2015 is uitgegaan van een bedrag van € 95.896,--. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Deze klacht slaagt. Het hof heeft overwogen (in rov. 4.7) dat het zal uitgaan van de bruto winst uit onderneming zoals deze valt af te leiden uit de jaarverslagen van de onderneming van de man. De man heeft in zijn beroepschrift (p. 28) gesteld dat de bruto winst uit onderneming over 2015 € 86.961,-- bedraagt en dit blijkt ook uit het door de man bij beroepschrift als onderdeel van productie 15B overgelegde jaarverslag 2016. Het oordeel van het hof dat de bruto winst over 2015 zoals die blijkt uit de jaarverslagen € 95.896,-- bedraagt, is dan ook onbegrijpelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 21 april 2020;</para>
      <para>- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer               M.J. Kroeze op <emphasis role="underline">11 juni 2021</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>