<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2021:856</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T14:33:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/00726</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2021:39" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:39, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2021/1809</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2021/216</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2021/616</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2021:856">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2021:856</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-11T14:18:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2021:856 Hoge Raad , 11-06-2021 / 20/00726</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2021:856:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Caribische zaak (Curaçao). Bewijsrecht. Passeren bewijsaanbod in hoger beroep. Tegenbewijs. Art. 145 lid 1 en 280 lid 1 Rv Curaçao (art. 166 lid 1 en 353 lid 1 Rv). HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1313; HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2021:856:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para> HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>CIVIELE KAMER</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	20/00726</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Datum   </emphasis>	11 juni 2021</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>ARREST</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>In de zaak van</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [verzoeker],<?linebreak?>wonende in [woonplaats], </para>
    <para>VERZOEKER tot cassatie,</para>
    <para>hierna: [verzoeker],</para>
    <para>advocaten: R.S. Meijer en D.A. van der Kooij,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>tegen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>GIROBANK N.V.,<?linebreak?>gevestigd te Curaçao,</para>
    <para>VERWEERSTER in cassatie,</para>
    <para>hierna: Girobank,</para>
    <para>advocaat: M.A.J.G. Janssen.</para>
  </parablock>
  <para>
    <emphasis role="bold">1.	Procesverloop</emphasis>
  </para>
  <para>Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: </para>
  <orderedlist numeration="loweralpha">
    <listitem>
      <para>de vonnissen in de zaak CUR201701269  van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 23 april 2018 en 19 november 2018;</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>het vonnis in de zaak CUR201701269-CUR2018H00490 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 26 november 2019.</para>
    </listitem>
  </orderedlist>
  <parablock>
    <para>
      [verzoeker] heeft tegen het vonnis van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. </para>
    <para>Girobank heeft verzocht het beroep te verwerpen.</para>
    <para>De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor [verzoeker] mede door                            J. van Kralingen en voor Girobank mede door T.M. Subelack.</para>
    <para>De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot  vernietiging en terugwijzing.</para>
    <para>De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Uitgangspunten en feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.</para>
        <para>(i) Op 16 februari 2011 is tussen Girobank en [verzoeker] een financieringsovereenkomst tot stand gekomen. De financiering behelst een <emphasis role="italic">construction loan</emphasis> van                             NAf    3.500.000,--, een hypothecaire lening van NAf 550.000,-- en een creditcard met een limiet van USD 5.000,--. Blijkens de overeenkomst is de <emphasis role="italic">construction loan</emphasis> bedoeld voor de bouw van twee <emphasis role="italic">luxurious greenhouses</emphasis> en zes appartementen.</para>
        <para>(ii) De financieringsovereenkomst bepaalt onder meer het volgende:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Repayment</para>
        <para>The construction loan (…) will be repaid in two (2) years with the proceeds of the sales of the houses and apartments with – if required – a balloon payment at the end of the term or possible refinancing of the then outstanding balance, including interest and costs. (…).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>The mortgage loan (…) will be repaid in twenty (20) years. Starting March 28, 2011, monthly installments of [NAf] 3.707,-- each will be charged to your aforementioned current account. (…).”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(iii) Verder behelst de overeenkomst onder meer een opsomming van zekerheden ten behoeve van Girobank.</para>
        <para>(iv) Er zijn achterstanden ontstaan in de nakoming door [verzoeker] van zijn verplichtingen jegens Girobank uit hoofde van de financieringsovereenkomst. De <emphasis role="italic">construction loan</emphasis> is niet volledig terugbetaald na ommekomst van twee jaar en [verzoeker] heeft niet alle termijnen van de hypothecaire lening voldaan.</para>
        <para>(v) In september 2016 heeft Girobank [verzoeker] bij brief aangemaand om zijn achterstanden in te lossen.</para>
        <para>(vi) Girobank heeft [verzoeker] bij brief van 27 september 2016 in gebreke gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Girobank vordert, voor zover in cassatie van belang, veroordeling van [verzoeker] tot terugbetaling van het openstaande bedrag van NAf 2.585.913,55. Aan deze vordering heeft Girobank ten grondslag gelegd dat zij de financieringsovereenkomst met [verzoeker] heeft beëindigd omdat [verzoeker] zijn betalingsverplichtingen niet is nagekomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Het gerecht heeft de vordering van Girobank toegewezen. Daartoe heeft het (bij tussenvonnis) overwogen dat Girobank bevoegd is het gehele bedrag op te eisen en de kredietrelatie aldus te beëindigen en (bij eindvonnis) dat het gebruikmaken door Girobank van haar opzeggingsbevoegdheid niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof heeft de vonnissen van het gerecht bevestigd. Het heeft de overwegingen van het gerecht die betrekking hebben op de opzeggingsbevoegdheid van Girobank overgenomen en tot de zijne gemaakt. (rov. 3.2)</para>
        <para>	Met betrekking tot het door [verzoeker] gedane bewijsaanbod heeft het overwogen als volgt:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“3.4 Tenslotte wordt het door [verzoeker] in eerste aanleg gedane algemene bewijsaanbod gepasseerd. Het bij memorie van grieven gedane bewijsaanbod is evenmin voldoende gespecificeerd om te worden gehonoreerd en het bij pleidooi gedane (aanvullend) bewijsaanbod, voor zover gespecificeerd tot het bewijs dat de kredietovereenkomst na de initiële looptijd van twee jaar door partijen is verlengd, is niet relevant nu uit de feiten blijkt dat Girobank zo’n tweeënhalve keer zo lang heeft gewacht alvorens tot opzegging en incasso over te gaan, waardoor feitelijk van verlenging van de overeenkomst sprake is geweest. Om deze reden wordt ook dit laatste bewijsaanbod gepasseerd.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het middel</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De klachten van het middel komen erop neer dat het hof in rov. 3.4 op grond van een onbegrijpelijke uitleg van de gedingstukken het bewijsaanbod van [verzoeker] heeft gepasseerd dat ertoe strekt als getuigen te doen horen de twee contactpersonen van [verzoeker] bij Girobank ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Deze personen kunnen verklaren of de schriftelijke overeenkomst afweek van de werkelijk gemaakte afspraak, of is afgesproken dat de <emphasis role="italic">contruction loan</emphasis> in feite een langlopend krediet was en of de in de schriftelijke overeenkomst vermelde tweejaarstermijn geen betekenis had, aldus het middel. Het middel klaagt dat het hof de stellingen en het bewijsaanbod van [verzoeker] te beperkt heeft gelezen en daarmee onbegrijpelijk heeft uitgelegd, omdat zij betrekking hebben op de inhoud van de overeenkomst ten tijde van het sluiten daarvan en – anders dan het oordeel van het hof impliceert – niet slechts op de verlenging van de overeenkomst na de initiële looptijd van twee jaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van vaste rechtspraak<footnote-ref linkend="_9974c805-0e1f-4224-93c6-1c20a2a8cf1f" /> geldt met betrekking tot het bewijsaanbod in hoger beroep als uitgangspunt dat, ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 Rv in verbinding met  art. 353 lid 1 Rv, een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Voor het recht van Curaçao geldt hetzelfde op grond van art. 145 lid 1 Rv Curaçao in verbinding met art. 280 lid 1 Rv Curaçao.</para>
        <para>	Aan een aanbod tot het leveren van tegenbewijs mag niet de eis worden gesteld dat het voldoende is gespecificeerd.<footnote-ref linkend="_b9678636-5938-43e7-a16f-0c289c86c4a2" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>De stukken van het geding (memorie van grieven (onder 6 en 16-20), pleitnotities zijdens appellant (punt 4) en proces-verbaal van de pleitzitting bij het hof (p. 2)) laten geen andere conclusie toe dan dat [verzoeker] zich onder meer op het standpunt heeft gesteld dat in feite sprake was van een doorlopende kredietovereenkomst voor onbepaalde tijd en dat hij daarvan bewijs heeft aangeboden. Het middel klaagt dus terecht dat het hof, door in rov. 3.4 te overwegen dat het aanbod tot het bewijs dat de kredietovereenkomst na de initiële looptijd van twee jaar door partijen is verlengd niet relevant is, een onbegrijpelijk beperkte uitleg heeft gegeven aan de stellingen en het bewijsaanbod van [verzoeker]. Het oordeel van het hof dat het bewijsaanbod wordt gepasseerd, kan daarom niet in stand blijven.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van                                     26 november 2019;</para>
      <para>- wijst het geding terug naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;</para>
      <para>- veroordeelt Girobank in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 415,34 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H. Sieburgh, als voorzitter, H.M. Wattendorff en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op                  <emphasis role="underline">11 juni 2021</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_9974c805-0e1f-4224-93c6-1c20a2a8cf1f" label="1">
    <para> 	Zie onder meer HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1313, rov. 3.2.1 en HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, rov. 3.6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b9678636-5938-43e7-a16f-0c289c86c4a2" label="2">
    <para> 	Zie onder meer HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726, rov. 3.5.2. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>