<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2021:1943</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T16:12:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-12-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/03893</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2021:1219" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1219</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2021:1237" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/nadereConclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Nadere conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1237</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2022/113</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2021-0397</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2022/100</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2022/24</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2021:1943">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2021:1943</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-21T12:14:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2021:1943 Hoge Raad , 21-12-2021 / 20/03893</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2021:1943:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. belaging (art. 285b Sr), bedreiging (art. 285 Sr), misbruik alarmnummer, meermalen gepleegd (art. 142.2 Sr) en belediging van ambtenaar, meermalen gepleegd (art. 267.2 jo. 266.1Sr). 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 432.1.c Sv. Verontschuldigbare termijnoverschrijding gelet op medische gegevens in Borgerbrief? 2. Heeft hof ten onrechte geoordeeld dat verdachte ttz. in hoger beroep geen mondelinge bezwaren a.b.i. art. 416.2 Sv heeft ingediend?</para>
        <para>Ad 1. Uit de stukken van het geding moet worden afgeleid dat verdachte met dag van tz van hof van 3-11-2020 tevoren bekend was. Daarom had o.g.v. art. 432.1.c Sv cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen 14 dagen nadat hof op 3-11-2020 uitspraak had gedaan. Beroep is echter pas ingesteld op 26-11-2020. In schriftelijke reactie op CAG is echter een beroep gedaan op medische gegevens, die betrekking hebben op verdachte. Deze gegevens vormen bijzondere, verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden die overschrijding van termijn verontschuldigbaar doen zijn. Verdachte kan daarom in beroep worden ontvangen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ad 2. HR: Op redenen vermeld in aanvullende CAG slaagt middel. CAG: Uit ttz. in h.b. afgelegde verklaring van verdachte kan worden afgeleid dat zij een breder beeld van de feiten wilde schetsen dan uit tll. naar voren komt. Gelet hierop is ’s hofs oordeel dat geen bezwaren zijn opgegeven tegen vonnis, niet zonder meer begrijpelijk. HR merkt op dat zich het geval kan voordoen dat op tz. in h.b. bezwaren tegen vonnis worden opgegeven en dat nadien, op latere zitting, onderzoek ttz. opnieuw aanvangt overeenkomstig art. 322.3 Sv jo. art. 415.1 Sv. Niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in h.b. o.g.v. art.416.2 Sv blijft in dat geval achterwege, omdat het voor toepasselijkheid van art. 416.2 Sv niet uitmaakt of onderzoek ttz. al dan niet opnieuw is aangevangen nadat op eerdere tz. bezwaren tegen vonnis naar voren zijn gebracht.</para>
        <para>Volgt vernietiging en terugwijzing.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2021:1943:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	20/03893 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>		21 december 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 november 2020, nummer 21-001270-18, in de strafzaak </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte], </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft bij conclusie van 21 september 2021 geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep. </para>
      <para>De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd. </para>
      <para>De advocaat-generaal heeft bij aanvullende conclusie van 16 november 2021 geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep</title>
    <para>Uit de stukken van het geding moet worden afgeleid dat de verdachte met de dag van de terechtzitting van het hof van 3 november 2020 tevoren bekend was. Daarom had op grond van artikel 432 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) het cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen veertien dagen nadat het hof direct op 3 november 2020 uitspraak had gedaan. Het beroep is echter pas ingesteld op 26 november 2020. In de schriftelijke reactie op de conclusie van de advocaat-generaal van 21 september 2021 is echter een beroep gedaan op medische gegevens, die betrekking hebben op de verdachte. Deze gegevens vormen – mede gelet op het procesverloop zoals dat is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal van 21 september 2021 onder 4 onder viii, x, xi en xii – bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. De verdachte kan daarom in het cassatieberoep worden ontvangen.</para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het cassatiemiddel keert zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep geen mondelinge bezwaren als bedoeld in artikel 416 lid 2 Sv heeft ingediend.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de aanvullende conclusie van de advocaat-generaal van 16 november 2021 onder 10.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Opmerking verdient nog het volgende. Het geval kan zich voordoen dat op de terechtzitting in hoger beroep door of namens de verdachte bezwaren tegen het vonnis worden opgegeven en dat nadien, op een latere zitting, het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aanvangt overeenkomstig artikel 322 lid 3 Sv in verbinding met artikel 415 lid 1 Sv. Een niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep op grond van artikel 416 lid 2 Sv blijft in dat geval achterwege, omdat het voor de toepasselijkheid van artikel 416 lid 2 Sv niet uitmaakt of het onderzoek ter terechtzitting al dan niet opnieuw is aangevangen nadat op de eerdere terechtzitting de bezwaren tegen het vonnis naar voren zijn gebracht.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- vernietigt de uitspraak van het hof;</para>
      <para>- wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">21 december 2021</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>