<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2021:1933</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T21:02:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-12-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/04257</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2021:998" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:998</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHAMS:2020:4031" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#overig">In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2020:4031, Overig</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2021-0393</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2022/121</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2021:1933">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2021:1933</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-21T11:29:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2021:1933 Hoge Raad , 21-12-2021 / 20/04257</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2021:1933:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Rijden zonder rijbewijs, art. 107.1 WVW 1994. Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld. Heeft zich omstandigheid voorgedaan waaruit voortvloeit dat einduitspraak verdachte bekend is a.b.i. art. 408.2 Sv, nu in “bonnenbriefje” geen parketnummer en onjuiste datum vonnis Ktr zijn vermeld? </para>
        <para>In de bestreden uitspraak ligt als ’s hofs oordeel besloten dat geen sprake is van omstandigheid zoals vermeld in art. 408.1 Sv. O.g.v. art. 408.2 Sv moet verdachte in dat geval binnen veertien dagen nadat zich omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak verdachte bekend is, h.b. instellen tegen vonnis van Rb. Van ‘omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak verdachte bekend is’ is sprake als verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor besluitvorming t.a.v. het instellen van h.b., zoals aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en). (Vgl. HR:2013:BZ1940.) </para>
        <para>In ’s hofs overwegingen ligt besloten dat op grond van p-v van mededeling van een niet onherroepelijk vonnis of arrest en mededeling uitspraak, in onderlinge samenhang bezien, kan worden vastgesteld dat verdachte op 10 maart 2020 over voldoende gegevens beschikte over wat voor hem van belang was voor het instellen van h.b. en dat verhandelde ttz. hof geen aanleiding heeft gegeven daar anders over te oordelen. ’s Hofs daarop gebaseerde oordeel dat verdachte binnen veertien dagen na 10 maart 2020 h.b. kon instellen, is niet onbegrijpelijk.</para>
        <para>Volgt verwerping.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2021:1933:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	20/04257 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>		21 december 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 december 2020, nummer 23-000947-20, in de strafzaak </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte], </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het cassatiemiddel richt zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte het hoger beroep na het verstrijken van de wettelijke termijn heeft ingesteld.</para>
      <paragroup>
        <nr>2.2.1</nr>
        <para>De stukken houden in dat de verdachte in eerste aanleg door de kantonrechter bij vonnis van 11 februari 2020 bij verstek is veroordeeld en dat de verdachte op 26 maart 2020 hoger beroep heeft ingesteld tegen dit vonnis. </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.2</nr>
        <parablock>
          <para>Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt voor zover van belang het volgende in:</para>
          <para>“De raadsheer deelt voorts mede dat de verdachte bij verstek is veroordeeld en dat blijkens stukken (te weten een bonnenbriefje) in het dossier de mededeling uitspraak in persoon is betekend aan de verdachte op 10 maart 2020. De verdachte heeft niet binnen 14 dagen na 10 maart 2020 hoger beroep aangetekend. De raadsheer geeft de raadsvrouw ter inzage de stukken, te weten het bonnenbriefje gedateerd 10 maart 2020 met daaraan gehecht de mededeling uitspraak. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De raadsvrouw reageert: </para>
          <para>Ik vind wel dat ik op tijd hoger beroep heb ingesteld, want ik heb het gedaan op de dag dat het vonnis betekend is. Ik zie op de akte uitreiking 16 maart 2020 staan. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De advocaat-generaal reageert: </para>
          <para>Het bonnenbriefje is ingezonden en kennelijk 16 maart 2020 binnengekomen. Het bonnenbriefje is bij de akte gevoegd. Ik vorder de niet-ontvankelijkheid van de verdachte nu het hoger beroep tardief is.”</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.3</nr>
        <parablock>
          <para>Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en daartoe het volgende overwogen:</para>
          <para>“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep </para>
          <para>De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 11 februari 2020 te verschijnen ter terechtzitting van de kantonrechter in de rechtbank Zaanstad. De dagvaarding is de verdachte niet in persoon betekend. </para>
          <para>De verdachte is op 11 februari 2020 bij verstek veroordeeld. </para>
          <para>Het vonnis is op 10 maart 2020 aan de verdachte in persoon betekend. </para>
          <para>Tegen dit vonnis heeft de verdachte niet binnen veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar eerst op 26 maart 2020. </para>
          <para>Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.”</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.4</nr>
        <parablock>
          <para>Bij de stukken bevindt zich een ‘proces-verbaal van mededeling van een niet onherroepelijk vonnis of arrest’ van 10 maart 2020, welk proces-verbaal door het hof kennelijk is aangeduid als “het bonnenbriefje”. Dit proces-verbaal houdt - voor zover van belang - in:</para>
          <para>“Op dinsdag 10 maart 2020, omstreeks 11.06 uur, </para>
          <para>te Koog aan de Zaan heb ik, ondergetekende, </para>
          <para>(naam en functie) Hoofdagent van politie </para>
          <para>(...) </para>
          <para>aan [verdachte] </para>
          <para>geboren [geboortedatum]-1997 nationaliteit NLD </para>
          <para>wonende te Nederland </para>
          <para>adres [a-straat 1] [plaats] </para>
          <para>(...)</para>
          <para>in persoon medegedeeld dat hij is veroordeeld bij uitspraak van </para>
          <para>d.d. 10 maart 2020, parketnummer </para>
          <para>(...)</para>
          <para>Ik heb aan de veroordeelde meegedeeld </para>
          <para> de gegevens van de veroordeling welke in het opsporingsregister / blad zijn ver- </para>
          <para>☒ meld, tot welke straf(fen) hij / zij volgens het arrestatiebevel is veroordeeld. </para>
          <para>Aan veroordeelde is voorts meegedeeld dat hij / zij binnen veertien dagen een rechtsmiddel kan aanwenden ter griffie van het betrokken gerecht hetzij in persoon hetzij via een advocaat die daartoe bepaaldelijk is gevolmachtigd dan wel via een bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde en dat de griffie van dat gerecht nadere inlichtingen kan verschaffen over de inhoud van de uitspraak en over het eventueel in te stellen rechtsmiddel.”</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.5</nr>
        <parablock>
          <para>Bij de stukken bevindt zich daarnaast een ‘mededeling uitspraak’ waarop rechts bovenaan een stempel is geplaatst met de tekst “CVOM 16 MRT 2020”. Deze ‘mededeling uitspraak’ houdt in:</para>
          <para>“Parketnummer: 96-213876-18 </para>
          <para>Aan: </para>
          <para>naam: [verdachte] </para>
          <para>voornamen: [verdachte] </para>
          <para>geboren op: [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] </para>
          <para>Hierbij deel ik u mede dat de kantonrechter te Zaandam op dinsdag 11 februari 2020 onderstaand vonnis heeft gewezen: </para>
          <para>KWALIFICATIE: </para>
          <para>overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 </para>
          <para>GEPLEEGD: </para>
          <para>28 oktober 2018 </para>
          <para>TOEGEPASTE ARTIKELEN: </para>
          <para>BESLISSING: </para>
          <para>(...) Een hechtenis voor de duur van 2 weken”</para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>Artikel 408 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt, voor zover hier van belang:</para>
        <para>“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:</para>
        <para>a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;</para>
        <para>b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;</para>
        <para>c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.</para>
        <para>(...)</para>
        <para>2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.”</para>
      </parablock>
      <paragroup>
        <nr>2.4.1</nr>
        <para>In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het hof besloten dat geen sprake is van een omstandigheid zoals vermeld in artikel 408 lid 1 Sv. Op grond van artikel 408 lid 2 Sv moet de verdachte in dat geval binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, hoger beroep instellen tegen het vonnis van de rechtbank. Van een ‘omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is’ is sprake als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en). (Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940.)</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.4.2</nr>
        <para>In de overwegingen van het hof ligt besloten dat op grond van de onder 2.2.4 en 2.2.5 weergegeven stukken, in onderlinge samenhang bezien, kan worden vastgesteld dat de verdachte op 10 maart 2020 over voldoende gegevens beschikte over wat voor hem van belang was voor het instellen van hoger beroep en dat het verhandelde ter terechtzitting het hof geen aanleiding heeft gegeven daar anders over te oordelen. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte binnen veertien dagen na 10 maart 2020 hoger beroep kon instellen, is niet onbegrijpelijk.</para>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Het cassatiemiddel faalt.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">21 december 2021</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>