<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2021:1801</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T20:28:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/01873</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2021:959" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:959</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2021-0361</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2021/3272</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2021/1193</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2021/402</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2021:1801">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2021:1801</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-30T10:56:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2021:1801 Hoge Raad , 30-11-2021 / 20/01873</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2021:1801:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Verkopen en aanwezig hebben van hennep, meermalen gepleegd (art. 3.B en 3.C Opiumwet), diefstal stroom d.m.v. verbreking (art. 311.1 Sr) en medeplegen valsheid in geschrift m.b.t. inkomensverklaring bij hypotheekaanvraag (art. 225.1 Sr). 1. Bewijsklacht medeplegen vervalsen inkomensverklaring en opzettelijk daarvan gebruik maken. 2. Is totale strafoplegging (12 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met taakstraf) in 3 gelijktijdig maar niet gevoegd behandelde zaken in strijd met (ratio van) art. 9.4 Sr? 3. Ambtshalve cassatie in verband met partiële verjaring verkopen en aanwezig hebben van hennep? </para>
        <para>Ad 1. HR: Middel slaagt op redenen vermeld in CAG. CAG: Hof heeft t.a.v. rol verdachte slechts vastgesteld dat hij blanco formulieren heeft ondertekend. Uit b.m. kan niet volgen dat hij de formulieren in strijd met de waarheid heeft ingevuld of dat sprake was van nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en de persoon die de inkomensverklaring heeft ingevuld en daarbij een onjuist inkomen heeft vermeld. </para>
        <para>Ad 2. Opvatting dat het ‘beperkte cumulatieverbod - mede gelet op de ratio van art. 9.4 Sr - ook van toepassing is op (veroordelingen in) zaken die gelijktijdig, maar niet gevoegd zijn behandeld’ vindt geen steun in het recht. De beperkende regel van art. 9.4 Sr (op grond waarvan een taakstraf kan worden gecombineerd met ten hoogste 6 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf of hechtenis) geldt bij meerdere strafbare feiten alleen als die feiten hetzij bij 1 dagvaarding zijn tlgd. hetzij bij verschillende dagvaardingen zijn tlgd. maar ex art. 285 Sv ttz. zijn gevoegd. </para>
        <para>Ad 3. HR ambtshalve: HR merkt n.a.v. CAG op dat verdachte onvoldoende belang heeft bij ambtshalve beoordeling van de verjaring van dit feit. </para>
        <para>Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. tlgd. valsheid in geschrift en strafoplegging en terugwijzing. Samenhang met 20/01841, 20/01843 P, 20/01869 P, 20/01870, 20/01871 P en 20/01876. CAG: anders t.a.v. verjaring (ambtshalve cassatie).</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2021:1801:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	20/01873 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>		30 november 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 juni 2020, nummer 21-001259-17, in de strafzaak </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] , </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen:</para>
      <para>- met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde, voor zover het feiten betreft die zijn begaan na 17 februari 2009 en uiterlijk op de dag gelegen twaalf jaren vóór de dag waarop de Hoge Raad uitspraak doet,</para>
      <para>- met betrekking tot het onder 6 primair tenlastegelegde feit en</para>
      <para>- de strafoplegging,</para>
      <para>en tot:</para>
      <para>- niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde, voor zover het feiten betreft die zijn begaan na 17 februari 2009 en uiterlijk op de dag gelegen twaalf jaren vóór de dag waarop de Hoge Raad uitspraak doet, </para>
      <para>- terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak met betrekking tot het onder 6 primair ten laste gelegde feit en de strafoplegging op het bestaande hoger beroep opnieuw berecht en afgedaan kan worden,</para>
      <para>- en tot verwerping van het beroep voor het overige.</para>
      <para>De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het vierde cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het cassatiemiddel klaagt dat het onder 6 bewezenverklaarde medeplegen van het vervalsen van een inkomensverklaring en het opzettelijk daarvan gebruik maken niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 19 tot en met 22 en 24.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het cassatiemiddel klaagt dat de strafoplegging in strijd is met (de ratio van) artikel 9 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) omdat aan de verdachte in drie gelijktijdig behandelde, maar niet gevoegde zaken in totaal twaalf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd in combinatie met een taakstraf.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>De verdachte is in deze zaak in hoger beroep veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden en tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Daarbij heeft het hof onder meer artikel 63 Sr als toepasselijk wettelijk voorschrift vermeld. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 juni 2020 heeft het hof deze strafzaak gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met twee andere strafzaken tegen de verdachte. Die zaken zijn ook in cassatie aanhangig en ook daarin zal de Hoge Raad vandaag uitspraak doen. In de zaak 20/01870, ECLI:NL:HR:2021:1796, is de verdachte in hoger beroep veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden. In de zaak 20/01876, ECLI:NL:HR:2021:1794, is de verdachte in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk. Het hof heeft in de drie zaken op dezelfde dag uitspraak gedaan.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <parablock>
        <para>Artikel 9 lid 4 Sr luidt:</para>
        <para>“In geval van veroordeling tot gevangenisstraf of tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden bedraagt, kan de rechter tevens een taakstraf opleggen.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Het cassatiemiddel berust op de opvatting dat het “beperkte cumulatieverbod – mede gelet op de ratio van artikel 9 lid 4 Sr – ook van toepassing is op (veroordelingen in) zaken die gelijktijdig, maar niet gevoegd zijn behandeld”. Die opvatting vindt geen steun in het recht. De beperkende regel van artikel 9 lid 4 Sr geldt in geval van meerdere strafbare feiten alleen als die feiten hetzij bij één dagvaarding zijn tenlastegelegd, hetzij bij verschillende dagvaardingen zijn tenlastegelegd, maar op grond van artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering ter terechtzitting zijn gevoegd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Het cassatiemiddel faalt.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Beoordeling van de overige cassatiemiddelen</title>
    <para>De beoordeling door de Hoge Raad van het eerste cassatiemiddel, het tweede cassatiemiddel en het derde cassatiemiddel heeft als uitkomst dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).</para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof</title>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <parablock>
        <para>Aan de verdachte is onder 4 tenlastegelegd dat:</para>
        <para>“hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 13 november 2012 in de gemeente [plaats] en/althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, (in een perceel/pand aan de [d-straat] , Grow shop " [A] ") (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/althans/in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) (grote) hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, (terwijl dit gepleegde feit (telkens) (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel, te weten 509 hennepplanten/hennepstekken, althans meer dan 200 hennepplanten).”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof heeft daarvan het onder 4 impliciet cumulatief subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaard, te weten dat:</para>
        <para>“hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 13 november 2012 in de gemeente [plaats] , (in een perceel/pand aan de [d-straat] , Grow shop " [A] ") telkens opzettelijk heeft verkocht en opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>Naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal onder 35 tot en met 40 merkt de Hoge Raad op dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij een ambtshalve beoordeling van de verjaring van het onder 4 tenlastegelegde feit. Daarbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat:<?linebreak?>- slechts een beperkt deel van de onder 4 impliciet cumulatief subsidiair tenlastegelegde feiten in aanmerking zou kunnen komen voor verjaring voor zover het gaat om de periode van 18 februari 2009 tot en met 30 november 2009, terwijl de bewijsvoering met betrekking tot het onder 4 bewezenverklaarde overwegend betrekking heeft op gedragingen die in 2012 zijn verricht, en<?linebreak?>- de verdachte in deze zaak is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden en 240 uren taakstraf wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”, 3. “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”, 4. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 6 primair “medeplegen van valsheid in geschrift”, zodat een partiële verjaring voor feit 4 geen wezenlijke invloed op de strafoplegging zou hebben.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 6 tenlastegelegde en de strafoplegging;</para>
      <para>- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;</para>
      <para>- verwerpt het beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">30 november 2021</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>