<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2021:1565</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T19:27:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-10-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/04277</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2021:803" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:803</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2021-0327</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2021/2822</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2021/1053</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2021:1565">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2021:1565</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-19T15:26:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2021:1565 Hoge Raad , 19-10-2021 / 19/04277</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2021:1565:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Gewelddadige overval in 2010 in Wehl door Poolse verdachten. Voortgezette handeling medeplegen vrijheidsberoving (art. 282.1 Sr) en medeplegen diefstal met geweld (art. 312.2.2 Sr) en voortgezette handeling medeplegen gijzeling (art. 282a.1 Sr) en medeplegen afpersing (art. 317.3 jo. 312.2.2 Sr). Betekening dagvaarding in hoger beroep, art. 588.2 (oud) Sv. Is dagvaarding in h.b. toegezonden aan het in appelakte vermelde adres van verdachte in Polen? In geval van toezending van dagvaarding door tussenkomst van bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie geldt dat uit stukken slechts hoeft te blijken dat die tussenkomst is ingeroepen maar niet dat aan gedane verzoek is voldaan. Indien evenwel aannemelijk is dat buitenlandse autoriteit of instantie geen uitvoering heeft gegeven aan verzoek, behoort rechter onderzoek ttz. te schorsen teneinde verzuim te doen herstellen (vgl. HR:2002:AD5163). In uitspraak hof ligt oordeel besloten dat verdachte behoorlijk is gedagvaard op adres in Polen. Dat oordeel is niet z.m. begrijpelijk. Immers, uit aan HR gezonden stukken blijkt niet dat uitreiking aan verdachte is geschied door toezending van mededeling door OM, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, v.zv. een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Uit stukken blijkt slechts dat ressortsparket een rechtshulpverzoek heeft opgesteld aangaande de uitreiking op Pools adres en daarover contact heeft gehad met internationaal rechtshulp centrum maar niet dat rechtshulpverzoek (al dan niet door tussenkomst van internationaal rechtshulpcentrum) aan bevoegde Poolse autoriteiten is aangeboden. </para>
        <para>HR verklaart betekening dagvaarding in h.b. nietig. CAG: anders.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2021:1565:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	19/04277 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>		19 oktober 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 december 2013, nummer 21-000049-12, in de strafzaak </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] , </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P. Scholte, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De plaatsvervangend advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het cassatiemiddel richt zich tegen het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken. De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. De akte hoger beroep houdt als adres van de verdachte in: [a-straat 1] [plaats] . De berechting in hoger beroep heeft bij verstek plaatsgevonden. Zowel het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep als het arrest van het hof vermeldt als adres van de verdachte [a-straat 1] [plaats] . Gelet hierop moet worden aangenomen dat het hof heeft geoordeeld dat van de verdachte een adres bekend was in [plaats] en de dagvaarding in hoger beroep op dat adres in [plaats] aan de verdachte moest worden betekend.</para>
      <paragroup>
        <nr>2.3.1</nr>
        <parablock>
          <para>Artikel 588 lid 2 Sv luidde ten tijde van de uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep als volgt:</para>
          <para>“De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling door het openbaar ministerie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. (...) Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat hiervan nog uit een afzonderlijke akte behoeft te blijken.”</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.2</nr>
        <para>In geval van toezending van de dagvaarding door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie geldt dat uit de stukken slechts hoeft te blijken dat die tussenkomst is ingeroepen maar niet dat aan het gedane verzoek is voldaan. Indien evenwel aannemelijk is dat de buitenlandse autoriteit of instantie geen uitvoering heeft gegeven aan het verzoek, behoort de rechter het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde het verzuim te doen herstellen. (Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.22)</para>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>In de uitspraak van het hof ligt het oordeel besloten dat de verdachte behoorlijk is gedagvaard op het adres [a-straat 1] [plaats] . Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. Immers, uit de aan de Hoge Raad gezonden stukken blijkt niet dat de uitreiking aan de verdachte is geschied door toezending van de mededeling door het openbaar ministerie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Uit de stukken blijkt slechts dat het ressortsparket een rechtshulpverzoek heeft opgesteld aangaande de uitreiking op het [plaats] adres en daarover contact heeft gehad met het internationaal rechtshulp centrum Noord OostNederland, maar niet dat het rechtshulpverzoek – al dan niet door tussenkomst van voormeld internationaal rechtshulpcentrum – aan de bevoegde [plaats] autoriteiten is aangeboden.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Voor zover het cassatiemiddel daarover klaagt, is het gegrond. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- vernietigt de uitspraak van het hof;</para>
      <para>- verklaart de betekening van de dagvaarding in hoger beroep nietig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">19 oktober 2021</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>