<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2020:987</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T16:10:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-05-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-06-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/02297</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2019:1177" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1177</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2020-0197</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2020/737</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2020/243</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:987">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:987</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-06-02T12:00:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-06-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2020:987 Hoge Raad , 02-06-2020 / 19/02297</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2020:987:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verlofverlening Rb aan R-C a.b.i. art. 552p.2 (oud) Sv n.a.v. verzoek om rechtshulp m.b.t. goederen t.b.v. verstrekking aan Verenigde Staten. Geheime procedure over vordering ex art. 552p (oud) Sv. Ontvankelijkheid cassatieberoep belanghebbende t.a.v. verzoek tot vertrekking processtukken en verzoek OM tot vertrouwelijke behandeling cassatieberoep en beschikking HR. Rb heeft gevorderd verlof verleend onder gebruikelijk voorbehoud van art. 552p.3 (oud) Sv en geoordeeld dat ex art. 24.5 Sv toezending van beschikking eerst plaats dient te vinden, zodra belang van onderzoek dat toelaat. Op het moment van uitspraak HR heeft deze toezending (nog) niet plaatsgevonden. Op gronden vermeld in CAG dient cassatieberoep n-o te worden verklaard, omdat voor belanghebbende thans nog geen cassatieberoep openstaat en cassatieberoep te vroeg is ingesteld. Dit brengt mee dat het niet nodig is te beslissen op door OM gedaan verzoek behandeling van cassatieberoep met gesloten deuren en in afwezigheid van belanghebbende en haar raadsman te doen plaatsvinden. Verzoek OM ervan af te zien door HR te nemen beschikking in het openbaar uit te spreken, zal worden afgewezen, nu gelet op inhoud van die uitspraak geen sprake is van geval waarin belang van onderzoek door doen van uitspraak in het openbaar ernstig wordt geschaad. Belanghebbende n-o en afwijzing verzoek OM t.a.v. vertrouwelijke beschikking HR. Vervolg op ECLI:NL:HR:2020:134 (rolbeslissing).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2020:987:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	19/02297</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>		2 juni 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>BESCHIKKING</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 10 oktober 2018, nummer RK 18/1554, op de vordering als bedoeld in artikel 552p (oud) Sv, in de zaak </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [belanghebbende] , </para>
      <para>hierna: de belanghebbende.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop in cassatie</title>
    <para>	Het beroep is ingesteld door de belanghebbende. <?linebreak?>	Bij brief van 9 augustus 2019 heeft de advocaat-generaal bij het ressortsparket namens het openbaar ministerie het verzoek gedaan tot – kort gezegd – vertrouwelijke behandeling van het cassatieberoep. <?linebreak?>	Bij brief van 19 september 2019 heeft de raadsman van de belanghebbende, mr. A.B.G.T. von Bóné, advocaat te Rotterdam, het verzoek gedaan tot het verstrekken van de processtukken aan de raadsman van de belanghebbende en tot afwijzing van het namens het openbaar ministerie gedane verzoek.<?linebreak?>	De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft op 19 november 2019 conclusie genomen. Deze conclusie strekt onder meer ertoe dat de rolraadsheer van de Hoge Raad het verzoek van het openbaar ministerie in handen stelt van de in artikel 21 en 22 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bedoelde (raad)kamer van de Hoge Raad, dat de meervoudige (raad)kamer van de Hoge Raad de belanghebbende niet-ontvankelijk verklaart in het cassatieberoep en dat die beslissing in het openbaar wordt uitgesproken.<?linebreak?>	Bij rolbeslissing van 28 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:134) heeft de rolraadsheer van de Hoge Raad bepaald dat:<?linebreak?>- het verzoek van het openbaar ministerie tot vertrouwelijke behandeling van het<?linebreak?>cassatieberoep wordt toegewezen voor zover het ertoe strekt dat aan de belanghebbende en haar raadsman niet de processtukken zullen worden verstrekt die de Hoge Raad op de voet van artikel 434, eerste lid, Sv zijn toegezonden;<?linebreak?>- het verzoek van de raadsman van de belanghebbende wordt toegewezen, wat betreft de tot nu toe in de cassatieprocedure opgemaakte stukken, voor zover deze stukken niet reeds aan de raadsman van de belanghebbende zijn verstrekt;<?linebreak?>- het verzoek van het openbaar ministerie in handen wordt gesteld van de in artikel 21 en 22 Sv bedoelde (raad)kamer van de Hoge Raad, die kan oordelen over de verzochte behandeling van het cassatieberoep met gesloten deuren en het afzien van de uitspraak van de beschikking in het openbaar.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De beschikking van de rechtbank</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het procesverloop bij de rechtbank is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 6 en in de rolbeslissing. Kort gezegd is sprake geweest van een geheime procedure over een vordering op grond van artikel 552p (oud) Sv van de officier van justitie. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Bij beschikking van 10 oktober 2018 is het gevorderde verlof verleend onder het gebruikelijke voorbehoud van artikel 552p, derde lid, (oud) Sv. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat ingevolge artikel 24, vijfde lid, Sv de toezending van de beschikking eerst plaats dient te vinden, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat. Op het moment van de uitspraak van deze beschikking heeft deze toezending (nog) niet plaatsgevonden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 28 tot en met 38 dient het cassatieberoep niet-ontvankelijk te worden verklaard, kort gezegd omdat voor de belanghebbende thans nog geen cassatieberoep openstaat en het cassatieberoep te vroeg is ingesteld.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Dit brengt mee dat het niet nodig is te beslissen op het door het openbaar ministerie gedane verzoek de behandeling van het cassatieberoep met gesloten deuren en in afwezigheid van de belanghebbende en haar raadsman te doen plaatsvinden.<?linebreak?>Het verzoek van het openbaar ministerie ervan af te zien de door de Hoge Raad te nemen beschikking in het openbaar uit te spreken, zal worden afgewezen, nu gelet op inhoud van die uitspraak geen sprake is van het geval waarin het belang van het onderzoek door het doen van uitspraak in het openbaar ernstig wordt geschaad.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad: </para>
      <para>- verklaart het beroep niet-ontvankelijk; </para>
      <para>- wijst af het verzoek van het openbaar ministerie ervan af te zien de door de  Hoge Raad te nemen beschikking in het openbaar uit te spreken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">2 juni 2020</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>