<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2020:743</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-06T10:09:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-04-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/03722</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatieInHetBelangDerWet">Cassatie in het belang der wet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2020:168" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:168, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2020/1056</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2020/544</rdf:li>
          <rdf:li>NJ 2020/209 met annotatie van D.W.F. Verkade</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:743">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:743</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-17T13:46:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2020:743 Hoge Raad , 17-04-2020 / 18/03722</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2020:743:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Cassatie in het belang der wet. Vervolg op HR 2 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2027 en HvJEU 21 november 2019, ECLI:EU:C:2019:998. Art. 90 en 81 Gemeenschapsmodelverordening. Art. 3 Uitvoeringswet EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen. Laat de GModVo ruimte voor bij de wet aangewezen exclusieve bevoegdheid van de rechtbank Den Haag in zaken waarin voorlopige en beschermende maatregelen worden gevraagd inzake inbreuk op een Gemeenschapsmodel?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2020:743:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para> HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>CIVIELE KAMER</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	18/03722</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Datum   </emphasis>	17 april 2020</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>ARREST</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Op een vordering tot cassatie in het belang der wet, ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en gericht tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 12 januari 2017, zaaknummer C13/620280/KG ZA 16-147, ECLI:NL:RBAMS:2017:298.</para>
  </parablock>
  <para>
    <emphasis role="bold">1.	Procesverloop</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:<?linebreak?>a.	zijn tussenarrest in deze zaak van 2 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2027 (hierna: het </para>
    <para>     tussenarrest);</para>
  </parablock>
  <para>b.	het arrest in de zaak C-678/18 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna:  HvJEU) van 21 november 2019, ECLI:EU:C:2019:998.</para>
  <para>De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep in het belang der wet.</para>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Uitgangspunten en feiten</title>
    <para>              De Hoge Raad verwijst voor de uitgangspunten en feiten, voor de beslissing van de voorzieningenrechter, en voor de vordering van de Procureur-Generaal, naar de rov. 3.2.1, 3.2.2 en 3.3 van het tussenarrest.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title> 3.Verdere beoordeling van het middel</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het HvJEU heeft (in zijn hiervoor in 1 onder (b) genoemde arrest<footnote-ref linkend="_e9afa0c1-9a0f-49b8-9cb7-4a60cd202dc6" />) de vraag van uitleg als volgt beantwoord:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Artikel 90, lid 1, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen moet aldus worden uitgelegd dat het bepaalt dat de rechtbanken van de lidstaten die bevoegd zijn voorlopige of beschermende maatregelen te bevelen voor een nationaal model, tevens bevoegd zijn dergelijke maatregelen te bevelen voor een Gemeenschapsmodel.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.2.1</nr>
        <para>Hieruit volgt dat de in het tussenarrest onder 3.5.2 weergegeven rechtsopvatting de juiste is en dat art. 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen,<footnote-ref linkend="_91f07aac-12d5-410e-97be-aba59803a2dd" /> dat in zaken van gemeenschapsmodellen de bevoegdheid kennis te nemen ook van vorderingen in kort geding, bij uitsluiting toekent aan de rechtbank Den Haag, in strijd is met art. 90 van de Gemeenschapsmodellenverordening<footnote-ref linkend="_f80fc43c-557c-40f2-93ee-3f6174ba9e4e" /> (hierna: GmodVo) en dus in zoverre onverbindend. Die bevoegdheid komt ingevolge de GModVo immers toe aan alle rechtbanken die bevoegd zijn voorzieningen in kort geding te treffen in zaken van nationale modellen. Daarop zijn dus de reguliere nationale bevoegdheidsregels voor nationale modellenzaken van toepassing (zoals neergelegd in art. 4.6 BVIE).</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.2</nr>
        <para>Het cassatieberoep in het belang der wet moet dus worden verworpen.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Nu de art. 123, 124 en 131 lid 1 van Verordening (EU) 2017/1001 inzake het Uniemerk,<footnote-ref linkend="_6eb5aea9-4d20-42ad-adb9-118a2f263628" /> voor zover hier van belang, gelijkluidend zijn aan respectievelijk de art. 80, 81 en 90 lid 1 van de GModVo, kan thans redelijkerwijs geen twijfel meer bestaan dat voor de bevoegdheid van de rechtbanken in kort geding in zaken van Uniemerken hetzelfde geldt als hiervoor in 3.2.1 voor zaken van gemeenschapsmodellen is beslist. Ook art. 3 Uitvoeringswet E.G.-verordening inzake het Gemeenschapsmerk<footnote-ref linkend="_eea24b9f-4bed-41f3-967b-1a6f668ce778" /> is dus in zoverre onverbindend.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para>De Hoge Raad verwerpt het beroep.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren      M.V. Polak, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op <emphasis role="underline">17 april 2020</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_e9afa0c1-9a0f-49b8-9cb7-4a60cd202dc6" label="1">
    <para> 	HvJEU 21 november 2019, zaak C-678/18, ECLI:EU:C:2019:998</para>
  </footnote>
  <footnote id="_91f07aac-12d5-410e-97be-aba59803a2dd" label="2">
    <para> 	Wet van 4 november 2004, <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 2004, 573.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f80fc43c-557c-40f2-93ee-3f6174ba9e4e" label="3">
    <para> 	Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen, <emphasis role="italic">PbEU</emphasis> 2002, L 3/1. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6eb5aea9-4d20-42ad-adb9-118a2f263628" label="4">
    <para> 	Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk, <emphasis role="italic">PbEU</emphasis> 2017, L 154/1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_eea24b9f-4bed-41f3-967b-1a6f668ce778" label="5">
    <para> 	Wet van 26 maart 1998, <emphasis role="italic">Stb.</emphasis> 1998, 202.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>