<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2020:658</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T17:51:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-04-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/04642</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2020:372" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:372</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2020-0137</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2020/568</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:658">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:658</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-14T15:28:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2020:658 Hoge Raad , 14-04-2020 / 18/04642</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2020:658:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Rijden zonder rijbewijs, art. 107.1 WVW 1994. Strafmotivering (2 weken hechtenis), art. 22b.2 Sr. Is taakstrafverbod van toepassing? Overtreding van art. 107.1 WVW 1994 is ex art. 177.1 jo. 178.2 WVW 1994 strafbaar gesteld als overtreding. Gelet hierop getuigt ’s hofs oordeel dat taakstrafverbod van art. 22b.2 Sr van toepassing is van een onjuiste rechtsopvatting. Het toepassingsbereik van art. 22b.2 Sr is immers beperkt tot veroordelingen voor misdrijf. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2020:658:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	18/04642</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>		14 april 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 oktober 2018, nummer 22/000722-18, in de strafzaak </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte] , </para>
      <para>geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben S.A.H. Vromen en J.S. Nan, beiden advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. </para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het in art. 22b Sr bedoelde verbod tot oplegging van een taakstraf van toepassing is.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>De verdachte is ter zake van “overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” (hierna: WVW 1994) veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee weken. De strafoplegging is als volgt gemotiveerd: </para>
        <para>“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. <?linebreak?>Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.<?linebreak?>De verdachte heeft zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs een bromfiets bestuurd en heeft aldus gehandeld in strijd met voorschriften die gegeven zijn met het oog op de verkeersveiligheid.<?linebreak?>Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 september 2018, is de verdachte onder meer viermaal eerder onherroepelijk veroordeeld voor overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994. Daarnaast liep de verdachte ten tijde van het plegen van het onderhavige feit in twee proeftijden van veroordelingen voor soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.<?linebreak?>Het hof houdt bij de strafoplegging verder rekening met het feit dat artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, nu de verdachte eerder bij onherroepelijk vonnis van 30 juni 2016 voor overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, onder meer is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis.<?linebreak?>Het hof is dan ook van oordeel dat alleen geheel onvoorwaardelijke hechtenis van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.” </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>Artikel 22b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:</para>
        <para>“2. Een taakstraf wordt voorts niet opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf indien:</para>
        <para>1° aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en</para>
        <para>2° de veroordeelde deze taakstraf heeft verricht dan wel op grond van artikel 22g de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen.”</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Overtreding van artikel 107 lid 1 WVW 1994 is op grond van artikel 177 lid 1 in verbinding met artikel 178 lid 2 WVW 1994 strafbaar gesteld als overtreding. Gelet hierop getuigt het oordeel van het hof dat het taakstrafverbod van artikel 22b lid 2 Sr van toepassing is van een onjuiste rechtsopvatting. Het toepassingsbereik van artikel 22b lid 2 Sr is immers beperkt tot veroordelingen voor een misdrijf. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;</para>
      <para>- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;</para>
      <para>- verwerpt het beroep voor het overige. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">14 april 2020</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>