<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2020:508</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T22:00:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-03-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">17/03445</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2020:6" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:6</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHAMS:2017:1523" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2017:1523</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2020-0104</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2020/460</rdf:li>
          <rdf:li>JIN 2020/83 met annotatie van Zilver, R.</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:508">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:508</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-23T14:21:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2020:508 Hoge Raad , 24-03-2020 / 17/03445</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2020:508:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>OM-cassatie en cassatie verdachte. Opzettelijk gebruik maken van vals geschrift (meermalen gepleegd), art. 225.2 Sr (feit 3) en feitelijk leiding geven aan door rechtspersoon begaan van overtreding wetgeving financieel toezicht, art. 3.1 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud) en art. 2:55.1 Wet op financieel toezicht (feit 4). Verjaring. Heeft hof miskend dat wat betreft overtredingen van art. 2:55.1 Wft, v.zv. begaan tussen 1-1-2007 en 26-4-2007, recht tot strafvordering wegens verjaring was vervallen? Aan verdachte is onder 4 tlgd. (i) overtreding art. 3.1 Wte 1995 (oud) in periode 19-3-2003 tot 1-7-2005; (ii) overtreding art. 3.1 Wte 1995 (oud) in periode 1-7-2005 tot 1-1-2007; en (iii) overtreding art. 2:55.1 Wft in periode 1-1-2007 tot 12-5-2009. Hof heeft overwogen dat OM t.a.v. onder 4 tlgd. eerste deelfeit, v.zv. tlgd. ziet op periode van 19-3-2003 tot 26-4-2005, wegens verjaring van recht tot strafvordering n-o is in vervolging van verdachte. Hof heeft onder 4 tlgd. voor overige en onder 3 tlgd. bewezenverklaard en verdachte veroordeeld tot gevangenisstraf van 86 dagen en taakstraf van 240 uren. Gelet op toepasselijke straf- en verbodsbepalingen in samenhang met art. 70.1 en 72.2 Sr beloopt verjaringstermijn t.a.v. onder 4 tlgd. eerste en tweede deelfeit ten hoogste 2 maal 6 jaren en t.a.v. derde deelfeit ten hoogste 10 jaren. Wat betreft al deze feiten is dus recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen. HR verklaart OM n-o in vervolging wat betreft onder 4 tlgd. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing (t.a.v. strafoplegging). Samenhang met 17/02392.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2020:508:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	17/03445</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>		24 maart 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de beroepen in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 april 2017, nummer 23/000196-14, in de strafzaak </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte], </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>De beroepen zijn ingesteld door de verdachte en het openbaar ministerie.</para>
      <para>Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Ook het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.</para>
      <para>Beide schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.</para>
      <para>De raadslieden van de verdachte hebben het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.</para>
      <para>De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep van de advocaat-generaal en tot vernietiging van de bestreden uitspraak ter zake van het onder 4 ten laste gelegde, tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging van het onder 4 ten laste gelegde, alsmede tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam om in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">2.	Beoordeling van het eerste cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het cassatiemiddel klaagt dat het hof heeft miskend dat wat betreft feit 4, ten aanzien van de overtredingen van artikel 2:55 lid 1 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) voor zover begaan tussen 1 januari 2007 en 26 april 2007, het recht tot strafvordering wegens verjaring was vervallen. Het cassatiemiddel voert voorts aan dat inmiddels meer deelfeiten zijn verjaard.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>Aan de verdachte is onder 4 - kort weergegeven - tenlastegelegd:</para>
        <para>- opdracht geven tot, althans feitelijk leiding geven aan, overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3 lid 1 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995), opzettelijk begaan door een rechtspersoon in of omstreeks de periode 19 maart 2003 tot 1 juli 2005,<?linebreak?>en</para>
        <para>- opdracht geven tot, althans feitelijk leiding geven aan, overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3 lid 1 Wte 1995, opzettelijk begaan door een rechtspersoon in of omstreeks de periode 1 juli 2005 tot 1 januari 2007,<?linebreak?>en</para>
        <para>- opdracht geven tot, althans feitelijk leiding aan, overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:55 lid 1 Wft, begaan door een rechtspersoon in of omstreeks de periode 1 januari 2007 tot 12 mei 2009.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Het hof heeft overwogen dat het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde eerste deelfeit, voor zover het tenlastegelegde ziet op de periode van 19 maart 2003 tot 26 april 2005, wegens verjaring van het recht tot strafvordering niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte. Het Hof heeft het onder 4 tenlastegelegde voor het overige en het onder 3 tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 86 dagen en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Gelet op de in dit geval toepasselijke straf- en verbodsbepalingen, die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 6.5 zijn weergegeven, in samenhang met artikel 70 lid 1 en artikel 72 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht beloopt de verjaringstermijn ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde eerste en tweede deelfeit ten hoogste twee maal zes jaren en ten aanzien van het derde deelfeit ten hoogste tien jaren. Wat betreft al deze feiten is dus het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Het cassatiemiddel is gegrond. De Hoge Raad zal, met vernietiging van de uitspraak van het hof op dat punt, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging wat betreft het onder 4 tenlastegelegde.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">3.	Beoordeling van de overige cassatiemiddelen die namens de verdachte zijn voorgesteld</emphasis>
      </para>
      <para>Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van deze cassatiemiddelen niet nodig.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">4.	Beoordeling van het cassatiemiddel dat door het openbaar ministerie is voorgesteld</emphasis>
      </para>
      <para>De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- verwerpt het beroep van het openbaar ministerie;</para>
      <para>- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2014, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging;</para>
      <para>- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 4 tenlastegelegde;</para>
      <para>- wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien van de strafoplegging opnieuw wordt berecht en afgedaan;</para>
      <para>- verwerpt het beroep van de verdachte voor het overige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">24 maart 2020</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>