<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2020:1884</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T10:51:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-11-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">17/00799 bis</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHAMS:2017:159" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2017:159</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:EU:C:2020:731" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/Inachtnemingprejudiciëlebeslissing" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Na prejudiciële beslissing van : ECLI:EU:C:2020:731</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2020/2909</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2020/62.16</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2021/19 met annotatie van D.B. Bijl</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2020/2661 met annotatie van Maria van Helden</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2020/3587 met annotatie van mr. M. Soltysik</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2020-3499</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2020112723</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:1884">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:1884</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-26T11:35:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2020:1884 Hoge Raad , 27-11-2020 / 17/00799 bis</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2020:1884:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Omzetbelasting; art. 15, lid 4, Wet OB; artt. 184 tot en met 189 van BTW-richtlijn 2006; herziening in een keer van alle in rekening gebrachte omzetbelasting bij ingebruikneming onroerende zaak niet in strijd met BTW-richtlijn 2006. Eindarrest na HvJ 17 september 2020, C-791/18, ECLI:EU:C:2020:731.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2020:1884:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BELASTINGKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	17/00799bis</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum </emphasis>27 november 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STICHTING SCHOONZICHT te [Z] (hierna: belanghebbende)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 11 januari 2017, nr. 16/00255, na beantwoording van de door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De loop van het geding in cassatie tot dusver</title>
    <parablock>
      <para>Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2309, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.</para>
      <para>Bij arrest van 17 september 2020, Stichting Schoonzicht, C-791/18, ECLI:EU:C:2020:731, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:</para>
      <para>“De artikelen 184 tot en met 187 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale regeling die een herzieningsstelsel voor investeringsgoederen omvat waarbij de herziening over meerdere jaren wordt gespreid en op grond waarvan in de loop van het jaar van de ingebruikneming van het betrokken goed, dat tevens overeenkomt met het eerste jaar van herziening, het totale bedrag van de oorspronkelijk voor dat goed toegepaste aftrek in één keer wordt herzien indien bij de ingebruikneming ervan die oorspronkelijk toegepaste aftrek blijkt af te wijken van de aftrek die de belastingplichtige gerechtigd is toe te passen op basis van het werkelijke gebruik van dat goed.” </para>
      <para>Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op dit arrest. De Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Nadere beoordeling van het middel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>In artikel 15, lid 4, tweede volzin, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) is geregeld dat de ondernemer de oorspronkelijk voor verkregen goederen toegepaste aftrek herziet indien bij de ingebruikneming van die goederen blijkt dat hij in verband met die verkrijging meer of minder omzetbelasting in aftrek heeft gebracht dan waartoe hij op het tijdstip van de ingebruikneming is gerechtigd. Deze herziening vindt plaats bij de aangifte over het tijdvak waarin de goederen in gebruik zijn genomen.<footnote-ref linkend="_46b5bbe5-e36c-4c66-a74b-f25fdcf0e3de" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Uit het arrest van het Hof van Justitie volgt dat deze regeling in overeenstemming is met de artikelen 184 en 185 van BTW-richtlijn 2006, ook als het om investeringsgoederen gaat. Uit dit arrest volgt verder dat - anders dan het middel betoogt - artikel 15, lid 4, tweede volzin, van de Wet wat betreft investeringsgoederen niet in strijd is met artikel 187 van BTW–richtlijn 2006. Het oordeel van het Hof dat de regeling van artikel 15, lid 4, tweede volzin, van de Wet ook voor investeringsgoederen binnen de grenzen van BTW-richtlijn 2006 valt, is dan ook juist, wat er zij van de daartoe door het Hof gebezigde motivering. Dit brengt mee dat het middel faalt.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Proceskosten</title>
    <para>De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para>De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, de vice-president M.E. van Hilten, en de raadsheren E.N. Punt, L.F. van Kalmthout en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2020.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_46b5bbe5-e36c-4c66-a74b-f25fdcf0e3de" label="1">
    <para> Artikel 15, lid 4, derde en vierde volzin, van de Wet in samenhang gelezen met artikel 12, lid 2, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>