<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2020:175</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T09:25:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-01-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/03581</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHDHA:2019:3692" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2019:3692</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2020/227</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2020/0371 met annotatie van Ton Tekstra</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2020/9.17</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 2020/135 met annotatie van J.C. Scherff</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2020/51</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2020/348 met annotatie van mr. drs. A.J. Meijer</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2020-0322</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2020013106</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:175">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:175</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-30T15:59:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2020:175 Hoge Raad , 31-01-2020 / 19/03581</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2020:175:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Onjuiste tenaamstelling WOZ-beschikking na statutaire naamswijziging BV, niet-ontvankelijk bezwaar?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2020:175:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BELASTINGKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	19/03581</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum	</emphasis>31 januari 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE LEIDSCHENDAM-VOORBURG</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 14 juni 2019, nr. BK-19/00150, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 18/2073) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Leidschendam-Voorburg voor het jaar 2017 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [R] . De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. </para>
      <para>Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van de klacht</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.</para>
      <paragroup>
        <nr>2.1.1</nr>
        <para>De heffingsambtenaar van de gemeente Leidschendam-Voorburg heeft bij op naam van [B] B.V. te [Q] gestelde WOZ-beschikking de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] te [R] voor het jaar 2017 op € 735.000 vastgesteld. De beschikking is bekendgemaakt in één geschrift met de aan [B] B.V. opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen (gebruikersbelasting) voor het jaar 2017 (hierna: de aanslag).</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.1.2</nr>
        <para>Tegen deze beschikking en aanslag heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.1</nr>
        <para>In beroep en hoger beroep was in geschil of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Belanghebbende heeft in beroep gesteld dat [B] B.V. niet meer bestaat en in 2015 is overgenomen door belanghebbende. In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat de heffingsambtenaar de beschikking en het aanslagbiljet onjuist heeft tenaamgesteld en dat zij en [B] B.V. met elkaar te vereenzelvigen zijn.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.2</nr>
        <para>Het Hof heeft overwogen dat gelet op de beschikbare gegevens sprake is van verschillende, niet met elkaar te vereenzelvigen, rechtspersonen. Tegen dit oordeel richt zich de klacht in cassatie. </para>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Blijkens het door belanghebbende in hoger beroep overgelegde uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel was tot 1 mei 2015 de statutaire naam van belanghebbende “ [B] B.V.” Een statutaire naamswijziging heeft op zichzelf niet tot gevolg dat een andere rechtspersoon ontstaat. Het oordeel van het Hof dat sprake is van verschillende, niet met elkaar te vereenzelvigen, rechtspersonen is daarom onbegrijpelijk. De klacht slaagt. Terugwijzing naar de heffingsambtenaar moet volgen. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Proceskosten</title>
    <para>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor het Hof en het geding voor de Rechtbank.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- verklaart het beroep in cassatie gegrond,</para>
      <para>- vernietigt de uitspraak van het Hof, </para>
      <para>- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,</para>
      <para>- vernietigt de uitspraken van de heffingsambtenaar,</para>
      <para>- draagt de heffingsambtenaar van de gemeente Leidschendam-Voorburg op om opnieuw uitspraak te doen op het bezwaarschrift van belanghebbende,</para>
      <para>- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 519, </para>
      <para>- draagt de heffingsambtenaar van de gemeente Leidschendam-Voorburg op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 519 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 333,</para>
      <para>- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.050 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en</para>
      <para>- veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Leidschendam-Voorburg in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 525 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 525 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2020.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>