<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2020:1729</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T10:48:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-11-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/03212</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2020:697" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:697</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHDHA:2019:1436" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2019:1436</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2020/2692</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2020/2445 met annotatie van Anneke Monsma</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2020/57.27</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2020/2743</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 2020/483 met annotatie van J.C. Scherff</rdf:li>
          <rdf:li>FED 2021/19 met annotatie van G. GROENEWEGEN</rdf:li>
          <rdf:li>BNB 2021/29 met annotatie van S. VAN WEEGHEL</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2020/3333 met annotatie van Mr. A. Dinée</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2020-3261</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2020110614</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:1729">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:1729</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-03T13:53:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2020:1729 Hoge Raad , 06-11-2020 / 19/03212</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2020:1729:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Artikel 34, onderdeel e, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer; Parkeerbelasting.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2020:1729:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>BELASTINGKAMER</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	19/03212</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum </emphasis>6 november 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DEN HAAG</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        [X] te [Z] , Bulgarije (hierna: belanghebbende)</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 28 mei 2019, nr. BK-18/00814, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 18/635) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Geding in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (hierna: het College) heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 16 juli 2020 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.<footnote-ref linkend="_3d60129e-7647-448a-a3e5-4a986501601f" /></para>
      <para>Het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het middel</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.</para>
      <paragroup>
        <nr>2.1.1</nr>
        <para>Belanghebbende was door Bulgarije gedetacheerd in Nederland als nationaal lid van Eurojust. Deze detachering was gegrond op artikel 2, lid 1, van het destijds geldende Besluit van de Raad van de Europese Unie van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken (Besluit 2002/187/JBZ, Pb EG L63/1). Belanghebbende ontleende aan de detachering de status van diplomatiek ambtenaar.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.1.2</nr>
        <para>Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 63,15 bestaande uit € 2,15 aan parkeerbelasting en € 61 aan kosten.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.1</nr>
        <para>Voor het Hof was in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende heeft gesteld dat hij op grond van zijn diplomatieke status is vrijgesteld van parkeerbelasting. De heffingsambtenaar heeft het standpunt ingenomen dat belanghebbende niet is vrijgesteld van de parkeerbelasting omdat de parkeerbelasting een “heffing wegens bepaalde verleende diensten” is die in artikel 34, letter e, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961 (hierna: het Verdrag)<footnote-ref linkend="_51335ce9-4ce0-4324-8342-59dfb90cfd94" /> is uitgezonderd van de in de aanhef van dit artikel opgenomen vrijstelling van belastingen en rechten voor diplomatieke ambtenaren.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.2</nr>
        <para>Het Hof heeft het in 2.2.1 vermelde standpunt van de heffingsambtenaar verworpen. Dat de parkeerbelastingen belastingen en geen retributies (rechten) zijn, blijkt zowel uit de tekst van de desbetreffende wettelijke bepalingen als uit de Memorie van Toelichting inzake de wijziging van de Gemeentewet, de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966, de Wet op de rechtelijke organisatie en de Wet gemeenschappelijke regelingen inzake parkeerbelastingen (Kamerstukken II 1985/86, 19 405, nr. 3), aldus het Hof.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.1</nr>
        <para>Het middel richt zich tegen het in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof en betoogt dat het Hof een onjuiste, althans te strikte maatstaf heeft gehanteerd bij de uitleg en toepassing van artikel 34, letter e, van het Verdrag.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.2</nr>
        <para>De uit het volkenrechtelijk gewoonterecht voortvloeiende interpretatieregels houden in dat verdragen moeten worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag.<footnote-ref linkend="_51ed9513-3d2d-4805-ab3c-c1f1c4f69ec9" /></para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.3</nr>
        <para>Artikel 34, letter e, van het Verdrag – uitgelegd overeenkomstig de in 2.3.2 genoemde interpretatieregels – moet aldus worden begrepen dat heffingen die uitsluitend dienen als een bijdrage van de gebruiker in de kosten van verleende diensten zijn uitgesloten van de in de aanhef van artikel 34 van het Verdrag neergelegde vrijstelling.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.4</nr>
        <para>De door het Hof aangehaalde parlementaire geschiedenis laat zien dat de parkeerbelasting niet uitsluitend wordt geheven als retributieve vergoeding voor individuele prestaties van de gemeente aan parkeerders, maar ook als instrument in het kader van de parkeerregulering. Vrijstelling van parkeerbelasting kan daarom niet aan diplomatieke ambtenaren worden ontzegd op grond van de uitzondering in artikel 34, letter e, van het Verdrag. Hetgeen in het middel wordt aangevoerd inzake internationaal gebruik en de toepassing van internationaal gewoonterecht voert niet tot een ander oordeel. Het middel faalt.</para>
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Proceskosten</title>
    <para>De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para>De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag wordt een griffierecht geheven van € 519.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_3d60129e-7647-448a-a3e5-4a986501601f" label="1">
    <para> 	ECLI:NL:PHR:2020:697.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_51335ce9-4ce0-4324-8342-59dfb90cfd94" label="2">
    <para> 	Trb. 1962, 101 en 159.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_51ed9513-3d2d-4805-ab3c-c1f1c4f69ec9" label="3">
    <para> 	HR 19 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:47, r.o. 2.3.2.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>