<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2020:1452</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T16:16:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-09-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/03916</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2020:640" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:640</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>SR-Updates.nl 2020-0301 met annotatie van J.H.J. Verbaan</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2020/1042</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:1452">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:1452</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-21T19:12:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2020:1452 Hoge Raad , 22-09-2020 / 18/03916</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2020:1452:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Medeplegen hennepteelt, meermalen gepleegd in periode van april 2004 t/m mei 2004, art .2.C Opiumwet (zaak A, feit 1) en als werkgever 13 vreemdelingen arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning op 18-5-2004, art. 2 Wet arbeid vreemdelingen (zaak B). Verjaring, art. 70.1 en 72.2 Sr. Gelet op i.c. toepasselijke straf- en verbodsbepalingen jo. art. 70.1 en 72.2 Sr, beloopt verjaringstermijn t.a.v. in zaak A onder 1 tlgd. ten hoogste twee maal zes jaren en t.a.v. in zaak B tlgd. feiten ten hoogste tien jaren. Wat betreft deze feiten is dus recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen. HR verklaart OM n-o in vervolging wat betreft feit 1 in zaak A en feiten in zaak B. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing (t.a.v. strafoplegging). Samenhang met 18/03917.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2020:1452:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFKAMER</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	18/03916 </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum</emphasis>		22 september 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ARREST</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te Arnhem van 13 september 2007, nummer 24/000724-06, in de strafzaak </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verdachte], </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,</para>
      <para>hierna: de verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop in cassatie</title>
    <parablock>
      <para>Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.C. Levy, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.</para>
      <para>De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van de in zaak A onder 1 en in zaak B tenlastegelegde feiten, tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging van die feiten en tot verwerping van het beroep voor het overige.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het eerste cassatiemiddel</title>
    <para>De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).</para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De cassatiemiddelen voeren aan dat wat betreft feit 1 in zaak A (met parketnummer 07‑280240-04) en wat betreft de feiten in zaak B (met parketnummer 07-915088-05) het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Aan de verdachte is - kort weergegeven - onder meer tenlastegelegd:<?linebreak?>- in zaak A onder 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, begaan in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 18 mei 2004;<?linebreak?>- in zaak B: telkens overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen, begaan op of omstreeks 18 mei 2004.<?linebreak?>Het hof heeft het in zaak A onder 1 en 2, alsmede het in zaak B tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren, en dertien geldboetes van elk negenhonderd euro, subsidiair achttien dagen hechtenis per geldboete. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Gelet op de in dit geval toepasselijke straf- en verbodsbepalingen, die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 16 zijn weergegeven, in samenhang met artikel 70 lid 1 en artikel 72 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, beloopt de verjaringstermijn ten aanzien van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde feit ten hoogste twee maal zes jaren en ten aanzien van de in zaak B tenlastegelegde feiten ten hoogste tien jaren. Wat betreft deze feiten is dus het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Het cassatiemiddel is gegrond. De Hoge Raad zal, met vernietiging van de uitspraak van het hof op dat punt, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging wat betreft feit 1 in zaak A en de feiten in zaak B. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 17 maart 2006, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het in zaak A onder 1 en in zaak B tenlastegelegde en de strafoplegging;</para>
      <para>- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het in zaak A onder 1 en in zaak B tenlastegelegde; </para>
      <para>- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak wat betreft de strafoplegging opnieuw wordt berecht en afgedaan;</para>
      <para>- verwerpt het beroep voor het overige. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van <emphasis role="underline">22 september 2020</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>