<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2020:1246</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T22:18:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-07-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/04676</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2020:416" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#contrair">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:416, Contrair</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSHE:2019:2551" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen">In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2019:2551, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>INS-Updates.nl 2020-0198</rdf:li>
          <rdf:li>OR-Updates.nl 2020-0266</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2020/1900</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2020/885</rdf:li>
          <rdf:li>JONDR 2020/818</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:1246">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:1246</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-08T17:15:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2020:1246 Hoge Raad , 10-07-2020 / 19/04676</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2020:1246:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Cassatieprocesrecht. Vervolg op HR 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2172. Vorderingen tegen vennootschap en tegen bestuurder daarvan in verband met faillissement van (voormalige) dochtervennootschap. Oordeel dat subsidiaire vordering wegens onrechtmatig handelen alleen tegen vennootschap is gericht; art. 6:162 BW en art. 2:11 BW; begrijpelijkheid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2020:1246:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para> HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>CIVIELE KAMER</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	19/04676</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Datum   </emphasis>	10 juli 2020</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>ARREST</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>In de zaak van</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Isaac Jan Gerrit Hendrik HAGE, in zijn hoedanigheid van curator van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] B.V.,<?linebreak?>kantoorhoudende te Ede, </para>
    <para>EISER tot cassatie,</para>
    <para>hierna: de curator,</para>
    <para>advocaat: A.E.H. van der Voort Maarschalk,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>tegen</para>
  </parablock>
  <para>1. [verweerster 1] B.V.,<?linebreak?>gevestigd te [vestigingsplaats],	</para>
  <para>2. [verweerder 2],<?linebreak?>wonende te [woonplaats],	</para>
  <parablock>
    <para>VERWEERDERS in cassatie,</para>
    <para>hierna: [verweerster 1] en [verweerder 2],</para>
    <para>niet verschenen.</para>
  </parablock>
  <para>
    <emphasis role="bold">1.	Procesverloop</emphasis>
  </para>
  <para>Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:</para>
  <orderedlist numeration="loweralpha">
    <listitem>
      <para>zijn arrest in de zaak 15/02192, ECLI:NL:HR:2016:2172 van 23 september 2016;</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>het arrest in de zaak 200.232.160/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 juli 2019.</para>
    </listitem>
  </orderedlist>
  <parablock>
    <para>De curator heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.</para>
    <para>Tegen [verweerster 1] en [verweerder 2] is verstek verleend.</para>
    <para>De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.</para>
    <para>De advocaat van de curator heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Uitgangspunten en feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1-1.9.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De curator heeft primair gevorderd dat [verweerster 1] en [verweerder 2] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van het nader vast te stellen tekort in het faillissement van [A], waartoe de curator zich heeft beroepen op art. 2:248 lid 1 BW in verbinding met art. 2:11 BW. Subsidiair heeft de curator gevorderd hoofdelijke veroordeling van [verweerster 1] en [verweerder 2] tot vergoeding van de schade wegens onrechtmatig handelen jegens de schuldeisers in het faillissement van [A], nader op te maken bij staat. Meer subsidiair heeft de curator gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat het dividendbesluit en de dividenduitkering van 29 februari 2008 nietig zijn, dan wel dat deze worden vernietigd, en veroordeling van [verweerster 1] tot terugbetaling van de aan haar verrichte dividenduitkering van € 165.000,--, waartoe de curator zich heeft beroepen op art. 2:216 leden 2-4 (oud) BW en art. 42 en 47 Fw. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>De rechtbank Arnhem heeft de primaire vordering van de curator toegewezen.<footnote-ref linkend="_849dc319-f82f-4cee-aa60-f13123fdf3ee" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft de vorderingen van de curator afgewezen.<footnote-ref linkend="_2cf07e33-a0da-4173-ba46-2023f3209e25" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>De Hoge Raad heeft het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het hof ’s-Hertogenbosch.<footnote-ref linkend="_d094237d-824f-4485-a3a5-a4301b5f0412" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof ’s-Hertogenbosch heeft het vonnis van de rechtbank Arnhem vernietigd, [verweerster 1] veroordeeld tot betaling van het (hiervoor in 2.2 vermelde) bedrag van € 165.000,--, met rente, en het meer of anders gevorderde afgewezen.<footnote-ref linkend="_b472de99-f3ca-42cf-ac59-706106614a85" /> Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.</para>
        <para>De primaire vordering van de curator moet alsnog aan hem worden ontzegd. (rov. 4.3)</para>
        <para>De subsidiaire vordering van de curator is toewijsbaar als in het dictum wordt vermeld. De subsidiaire en meer subsidiaire grondslagen van deze vordering van de curator hebben alleen betrekking op [verweerster 1], zodat deze vorderingen alleen ten laste van haar kunnen worden toegewezen. ((eerste) rov. 4.4)    </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het middel </title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het middel klaagt onder meer dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat de grondslag van de subsidiaire vordering alleen betrekking heeft op [verweerster 1] en niet ook op [verweerder 2]. Volgens het middel is in het verlengde daarvan eveneens onbegrijpelijk dat het hof de subsidiaire vordering alleen ten aanzien van [verweerster 1] heeft toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>De subsidiaire vordering van de curator strekt tot hoofdelijke veroordeling van [verweerster 1] en [verweerder 2] tot vergoeding van schade wegens onrechtmatig handelen (zie hiervoor in 2.2). Uit de door het middel aangehaalde stellingen volgt dat de curator aan deze vordering ten grondslag heeft gelegd, kort gezegd, dat [verweerster 1] onrechtmatig heeft gehandeld en dat, indien dat zo is, op grond van art. 2:11 BW ook [verweerder 2] hiervoor aansprakelijk is.<?linebreak?>In het licht hiervan is het oordeel van het hof dat de grondslag van de subsidiaire vordering alleen betrekking heeft op [verweerster 1] en dat om die reden de subsidiaire vordering ten aanzien van [verweerder 2] niet kan worden toegewezen, onbegrijpelijk. De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht slaagt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad:</para>
      <para>- vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 juli 2019;</para>
      <para>- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;</para>
      <para>- veroordeelt [verweerster 1] en [verweerder 2] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 516,19 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerster 1] en [verweerder 2] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter,            M.V. Polak en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer                     C.E. du Perron op <emphasis role="underline">10 juli 2020</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_849dc319-f82f-4cee-aa60-f13123fdf3ee" label="1">
    <para> Rechtbank Arnhem 31 oktober 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BY4306.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2cf07e33-a0da-4173-ba46-2023f3209e25" label="2">
    <para> Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 januari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:302.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d094237d-824f-4485-a3a5-a4301b5f0412" label="3">
    <para> HR 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2172.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b472de99-f3ca-42cf-ac59-706106614a85" label="4">
    <para> Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 16 juli 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2551.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>