<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:HR:2020:1221</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T06:22:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederlanden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Hoge Raad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-07-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/02263</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#artikel81ROzaken">Artikel 81 RO-zaken</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#cassatie">Cassatie</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHAMS:2019:262" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2019:262, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:PHR:2020:384" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/conclusie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#gevolgd">Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:384, Gevolgd</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RvdW 2020/842</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:1221">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:1221</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-03T14:17:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:HR:2020:1221 Hoge Raad , 03-07-2020 / 19/02263</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:HR:2020:1221:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Art. 81 lid 1 RO. Merkenrecht. Vervolg op HvJEU 18 september 2014, C-205/13, ECLI:EU:C:2014:2233, en HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3394. Levert vorm van de Tripp Trapp-stoel rechtsgeldig merk op voor ‘stoelen, met name kinderstoelen’? Aard van de waar.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:HR:2020:1221:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para> HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>CIVIELE KAMER</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Nummer</emphasis>	19/02263</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Datum   </emphasis>	3 juli 2020</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>ARREST</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>In de zaak van</para>
  </parablock>
  <para>1. de vennootschap naar Noors recht STOKKE A/S,<?linebreak?>gevestigd te Alesund, Noorwegen, </para>
  <para>2. STOKKE NEDERLAND B.V.,<?linebreak?>gevestigd te Tilburg, </para>
  <para>3. Peter OPSVIK,<?linebreak?>gevestigd te Oslo, Noorwegen, </para>
  <para>4. de vennootschap naar Noors recht PETER OPSVIK A/S,<?linebreak?>gevestigd te Oslo, Noorwegen,</para>
  <parablock>
    <para>EISERS tot cassatie, verweerders in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,</para>
    <para>hierna gezamenlijk: Stokke c.s.,</para>
    <para>advocaat: T. Cohen Jehoram,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>tegen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de vennootschap naar Duits recht </para>
    <para>FIRMA HAUCK GMBH &amp; CO. KG,<?linebreak?>gevestigd te Sonnefeld, Duitsland,</para>
    <para>VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,</para>
    <para>hierna: Hauck,</para>
    <para>advocaat: A.M. van Aerde.</para>
  </parablock>
  <para>
    <emphasis role="bold">1.	Procesverloop</emphasis>
  </para>
  <para>Voor het verloop van het geding in tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:</para>
  <orderedlist numeration="loweralpha">
    <listitem>
      <para>zijn arrest in de zaak 11/04114, ECLI:NL:HR:2015:3394 van 27 november 2015;</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>het arrest in de zaak 200.207.312/01 van het gerechtshof Amsterdam van 5 februari 2019.</para>
    </listitem>
  </orderedlist>
  <parablock>
    <para>Stokke c.s. hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. Hauck heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.</para>
    <para>Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.</para>
    <para>De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor Stokke c.s. mede door                   G.J. Harryvan en voor Hauck mede door T. van Tatenhove.</para>
    <para>De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.</para>
    <para>De advocaat van Stokke c.s. heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het middel in het principale beroep </title>
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).</para>
      <para>Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Proceskosten in cassatie</title>
    <para>Als de in cassatie in het ongelijk gestelde partij dient Stokke c.s. te worden verwezen in de proceskosten. Nu Hauck op de voet van art. 1019h Rv vergoeding van de kosten in cassatie heeft gevorderd en partijen overeenstemming hebben bereikt over de terzake op de voet van deze bepaling toe te schatten kosten, zal dienovereenkomstig worden beslist.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para>De Hoge Raad:</para>
    <para>- verwerpt het beroep;</para>
    <para>- veroordeelt Stokke c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze  uitspraak aan 	de zijde van Hauck begroot op € 30.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Stokke c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren           G. Snijders, C.E. du Perron, M.J. Kroeze en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op <emphasis role="underline">3 juli 2020</emphasis>.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>